Go to content
Attention:

Lukt het niet om in te loggen op het AFM Portaal?

Het kan helpen om uw browsergeschiedenis/cookies te verwijderen

Veelgestelde vragen over risicopreferentieonderzoek

Pagina met veelgestelde vragen over het risicopreferentieonderzoek.

Vragen over het risicopreferentieonderzoek

Pensioenuitvoerders moeten wettelijk bij het risicopreferentieonderzoek (RPO) ten minste de mate van relatieve risicoaversie afleiden. Wat houdt dat in?

De mate van relatieve risicoaversie is een uitkomst (een coëfficiënt) waaruit kan worden afgeleid in hoeverre een deelnemer bereid is om meer risico te accepteren in ruil voor een hoger verwacht rendement. Deze coëfficiënt wordt afgeleid uit de mate van bolling (tweede afgeleide) en helling (eerste afgeleide) van de nutsfunctie. 

Deze uitkomstmaat is onafhankelijk van het doorgerekende beleggingsbeleid en de toegepaste scenarioset. Daarom is het een objectieve en vergelijkbare uitkomstmaat die de voorkeuren van de deelnemer centraal stelt. 

Waarom is de mate van relatieve risicoaversie belangrijk in het proces van het vaststellen van de risicohouding en het beleggingsbeleid?

Het is bekend dat mensen sterk verschillen in hun risicoaversie. Door inzicht in de mate van relatieve risicoaversie kan vastgesteld worden dat een uitvraag voldoende bereik en precisie heeft. Met andere woorden: is de uitvraag in staat de te verwachten verschillen in voorkeuren te identificeren? Niet alle voorkeuren hoeven een-op-een een plek te krijgen in het (beleggings)beleid, maar het inzicht hierin helpt wel in de vervolgstappen.

Verder is de relatieve risicoaversie onafhankelijk van het doorgerekende beleggingsbeleid en de toegepaste scenarioset. Hierdoor kan deze gebruikt worden om vergelijkingen te maken tussen de uitkomsten van verschillende RPO’s door de tijd heen (die gebaseerd zijn op verschillende scenariosets).

Sommige fondsen hebben al voordat de nieuwe wet definitief was het risicopreferentieonderzoek uitgevoerd en toen niet de mate van relatieve risicoaversie bepaald. Moet dit achteraf alsnog?

Veel pensioenfondsen en adviseurs zijn voortvarend aan de slag gegaan met het risicopreferentieonderzoek en hebben dit voltooid voor wet- en regelgeving was afgerond. Wij begrijpen dat het achteraf alsnog berekenen van de mate van relatieve risicoaversie - in een al vergevorderde fase van de besluitvorming over het beleggingsbeleid - onnodig belastend voelt. Daarvoor hebben wij begrip. Vandaar dat wij een uitzondering maken voor risicopreferentieonderzoeken die zijn afgerond voor 1 juli 2023, onder de volgende voorwaarden:

  1. De uitkomstmaat die wel is afgeleid is bruikbaar bij de vaststelling van de risicohouding;
  2. Er zijn geen aanwijzingen voor een onvoldoende bereik van de uitvraag onder deelnemers (bijvoorbeeld een kleine range in voorgelegde beleggingsmixen of een ophoping van uitkomsten aan de rand van de keuzeruimte);
  3. Er zijn geen andere aanwijzingen die de effectiviteit van de uitvraag onder deelnemers mogelijk sterk verminderen.

In die gevallen is namelijk de verwachting dat het achteraf alsnog afleiden van de mate van relatieve risicoaversie niet tot extra inzichten of een ander beleggingsbeleid leidt.

Bij aanwijzingen voor problemen met de uitvraag onder deelnemers blijft het achteraf berekenen van de mate van relatieve risicoaversie een belangrijke manier om inzichtelijk te maken in welke mate dit een bezwaar vormt voor de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het risicopreferentieonderzoek.

Uit eerdere onderzoeken blijkt dat de risicopreferentie van mensen niet altijd stabiel is, maar kan veranderen. Wat betekent dat voor het risicopreferentieonderzoek?

Allereerst is dit is een belangrijke reden om het risicopreferentieonderzoek periodiek te herhalen: ten minste eens per 5 jaar.

Daarnaast is het belangrijk om hier rekening mee te houden bij het vormgeven van de uitvraag. Met een zorgvuldig ingerichte uitvraag kan het effect van omgevingsfactoren op het moment van de uitvraag worden ingeperkt. Bijvoorbeeld door in de onderzoeksmethode expliciete risico-rendementafwegingen voor te leggen aan de deelnemer. Maar uiteraard is het ook dan niet volledig uit te sluiten. Belangrijk hierbij is de vraag of mensen door de omgevingsfactoren ook echt anders tegen hun benodigde pensioeninkomen en risico’s daarbij aankijken. Schokken die invloed hebben op risicoverwachtingen ('hoe groot is de kans op een beursneergang?') spelen bij een goede onderzoeksmethode naar risicopreferenties rond het pensioeninkomen op lange termijn een beperkte rol.

Is risicodraagvlak onderdeel van het risicopreferentieonderzoek, of speelt dit pas een rol bij de vaststelling van de risicohouding?

Dit is onderdeel van het RPO. Het RPO wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de risicovoorkeuren van deelnemers: dit betreft risicotolerantie (willen) én risicodraagvlak (kunnen). Beide inzichten zijn waardevol voor het vaststellen van de risicohouding en het vormen van beleid in de latere fasen.

Risicotolerantie wordt ingeschat ten aanzien van het totale pensioeninkomen, dat kunnen deelnemers namelijk het beste vergelijken met hun huidige inkomen en uitgaven. Risicodraagvlak is nodig om die ingeschatte risicotolerantie weer te kunnen vertalen naar een beleggingsbeleid voor het opgebouwde tweedepijlerpensioen.

De inventarisatie van het risicodraagvlak kan ook op andere manieren plaatsvinden dan via een deelnemersuitvraag.

Wat kunnen we van de AFM verwachten? Wanneer gaat zij weer onderzoek doen naar risicopreferentieonderzoeken?

Via de leidraad (PDF, 380 Kb) en de verkenning hebben wij onze verwachtingen teruggekoppeld aan de sector. De komende periode zullen wij dit onderwerp uiteraard actief blijven monitoren en nieuwe ontwikkelingen blijven volgen. Als er signalen binnenkomen over risicopreferentieonderzoeken zullen we daar serieus naar kijken. Ook houden we doorlopend contact met DNB over de samenhang tussen het risicopreferentieonderzoek en de vaststelling van de risicohouding.

In 2024 zullen wij een nieuw onderzoek naar RPO’s uitvoeren.