Go to content

Zorgplicht bij beleggingsvrijheid

Beleggingsvrijheid houdt in dat deelnemers de mogelijkheid krijgen zelf beleggingskeuzes te maken voor hun pensioen. De manier waarop pensioenuitvoerders dit in de praktijk vormgeven is verschillend. 
Doorgaans bieden pensioenuitvoerders deelnemers verschillende beleggingsprofielen aan waaruit zij kunnen kiezen (defensief, neutraal, offensief bijvoorbeeld). Dit noemen we profielbeleggen. Een deelnemer kan ook vrij beleggen (opt-out) door zelf te kiezen voor de samenstelling van de beleggingsmix.

Zorgplicht 

Als een deelnemer (actief of gewezen) ervoor kiest gebruik te maken van beleggingsvrijheid, draagt de pensioenuitvoerder de verantwoordelijkheid van de beleggingen over aan de deelnemer. Daarom geldt een aanvullende zorgplicht wanneer een deelnemer gebruik maakt van beleggingsvrijheid in de opbouwfase of wanneer sprake is van een variabele uitkering met verschillende profielen. De zorgplicht is voor de opbouwfase geregeld in artikel 52 van de Pensioenwet (Pw) en voor de uitkeringsfase in artikel 52a Pw.

Adviesplicht bij beleggingskeuzes in de opbouwfase

Er geldt een adviesplicht voor de pensioenuitvoerder wanneer de deelnemer gebruik maakt van zijn beleggingsvrijheid in de opbouwfase. Deze beschermt de deelnemer tegen niet goed overwogen besluiten over zijn pensioenbeleggingen. De adviesplicht geldt zowel voor profielbeleggen als voor de mogelijkheid om opt-out te beleggen.

Voor de adviesplicht moet de pensioenuitvoerder informatie inwinnen bij de deelnemer over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van de deelnemer of gewezen deelnemer, voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor het advies. Dit noemen we het risicoprofiel. Het advies wordt op alle vijf deze elementen gebaseerd, maar een pensioenuitvoerder kan zelf afwegen of hij een bepaald onderdeel zwaarder meeweegt in het advies dan een ander onderdeel.  Hierbij handelt de pensioenuitvoerder in het belang van de deelnemer. Een deelnemer mag ervoor kiezen af te wijken van het door de pensioenuitvoerder gegeven advies. 

Toetsing beleggingsmix en risicoprofiel

De pensioenuitvoerder moet minimaal jaarlijks de ontwikkeling binnen de beleggingsmix van de deelnemer analyseren en de deelnemer hierover informeren en adviseren. Zo wordt een deelnemer jaarlijks op de hoogte gebracht of zijn gemaakte beleggingskeuze nog passend is. In aanvulling hierop toetst een pensioenuitvoerder ook of het risicoprofiel nog passend is (BUPW, lid 14, sub c). Dit gebeurt tenminste iedere vijf jaar, indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft en als de deelnemer of gewezen deelnemer om toetsing vraagt. Zo wordt voorkomen dat een deelnemer (te lang) in een niet passend profiel zit en schade leidt door het nemen van te grote risico's of een te gering rendement. 

De uitvoerder beslist over het beleggingsprofiel in de uitkeringsfase

Op het moment dat een deelnemer de keuze maakt voor een variabele uitkering en de pensioenuitvoerder meerdere beleggingsprofielen in de uitkeringsfase aanbiedt, beslist de pensioenuitvoerder over een beleggingsprofiel voor de deelnemer. Er wordt een profiel toegepast dat passend is bij het risicoprofiel van de pensioengerechtigde. De pensioengerechtigde mag niet van dit advies afwijken. Ook wanneer het pensioenvermogen verdeeld kan worden tussen een vastgestelde en een variabele uitkering bij eenzelfde pensioenuitvoerder vindt de AFM dat sprake is van verschillende beleggingsprofielen in de uitkeringsfase. Ook dan is artikel 52a Pw van toepassing. 

De pensioenuitvoerder moet op basis van het risicoprofiel van de deelnemer bepalen wat het passende beleggingsprofiel is. De pensioenuitvoerder moet hiervoor informatie inwinnen over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van de pensioengerechtigde. De pensioenuitvoerder informeert de pensioengerechtigde over het vastgestelde risicoprofiel en het beleggingsprofiel.

De pensioenuitvoerder toetst periodiek het risicoprofiel van de pensioengerechtigde. Indien een wijziging in het risicoprofiel daartoe aanleiding geeft past de pensioenuitvoerder een ander, passend, beleggingsprofiel toe en informeert de pensioengerechtigde hierover.

Inwinnen van informatie 

Voor zowel de adviesplicht in de opbouwfase als voor het vaststellen van het beleggingsprofiel op basis van het risicoprofiel van de pensioengerechtigde dient de pensioenuitvoerder informatie in te winnen over de financiële positie, doelstellingen, risicobereidheid, en de kennis en ervaring van de deelnemer. 

De financiële positie

De financiële positie vertaalt zich in de vraag welke mate van onzekerheid voor de deelnemer aanvaardbaar is.  Het antwoord op deze vraag vormt het maximale risico dat een deelnemer kan nemen. Om hier een goed beeld van te krijgen moeten de (toekomstige) inkomsten en de uitgaven van de deelnemer in kaart worden gebracht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan AOW en eventueel elders opgebouwd pensioen.

Doelstellingen

Informatie over de doelstellingen stelt de pensioenuitvoerder in staat om vast te kunnen stellen dat het advies of het beleggingsprofiel voldoet aan de doelstellingen van de deelnemer en inhoudt dat de deelnemer de met deze doelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s financieel kan en wil dragen. Het is onder meer van belang dat deelnemers aangeven wat hun doelstellingen zijn en wat zij denken nodig te hebben voor een bepaalde gewenste levensstijl na pensionering. 

De risicobereidheid

De risicobereidheid geeft weer hoeveel risico een deelnemer, boven de ondergrens die is vastgesteld door de financiële positie en met in achtneming van zijn doelstelling, wil nemen. Het gaat hierbij onder meer om in hoeverre (tussentijdse) schommelingen acceptabel zijn en hoe erg het is als de deelnemer zijn doelstelling niet haalt. Hoewel er niet één optimale inventarisatiemethode bestaat, geeft de AFM de voorkeur aan het gebruik van vragen die kwantitatieve informatie opleveren. De AFM doet deze aanbeveling op basis van onderzoek en theoretische voordelen van kwantitatieve inventarisatiemethoden van risicobereidheid. 

Kennis en ervaring

Zowel beleggingservaring als kennis over de werking van beleggen zorgen ervoor dat deelnemers een betere inschatting kunnen maken van de risico’s die beleggen met zicht meebrengt. Hoe vrijer een deelnemer is in het maken van deze keuze, hoe belangrijker het is dat hij snapt wat de gevolgen van zijn keuze zijn. Op basis van deze informatie kan een pensioenuitvoerder inschatten of een deelnemer in staat is zelf de verantwoordelijkheid van de beleggingen van de pensioenuitvoerder over te nemen.

Samenhang met het risicopreferentieonderzoek 

Het risicopreferentieonderzoek (RPO) geeft pensioenuitvoerders inzicht in hoeveel beleggingsrisico deelnemers willen lopen ten aanzien van het totale inkomen na pensionering (risicotolerantie), en hoeveel beleggingsrisico deelnemers kunnen dragen binnen de pensioenregeling, gegeven hun kenmerken en financiële situatie (risicodraagvlak). De inventarisatie van het risicoprofiel bij beleggingskeuzes is een ander proces dan het RPO. Het RPO geeft inzicht op cohortniveau terwijl het vaststellen van het risicoprofiel bij beleggingskeuzes inzicht geeft op individueel niveau. 

Laatste aanpassing: 19 mei 2026