Terug

Artikel 3:2 NRgfo

Veelgestelde vragen over Artikel 3:2 NRgfo

Wordt een garantie op de uitbetaling van de inleg aan de consument afgegeven door een instelling die volledig in deposito’s belegd van een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat gelijk gesteld aan een garantie op een complex product die wordt afgegeven door een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat?

Ja. Een garantie op de uitbetaling van de inleg aan de consument afgegeven door een instelling die volledig in deposito’s belegt van een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht staat wordt gelijk gesteld aan een garantie op een complex product die wordt afgegeven door een instelling die onder kapitaaltoereikendheidstoezicht.

 

Stuur deze vraag door

Gaat het bij de rendementen uit tabel 1b in bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft om bruto rendementen?

Ja, bij de rendementen tabel 1b in bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) gaat het om bruto rendementen. Uit bijlage 4 NRgfo blijkt dat de tabellen die beschikbaar zijn gesteld voor iedere beleggingsklasse en iedere looptijd, aangeven wat het gemiddelde bruto jaarrendement is waarmee moet worden gerekend om op het betreffende scenario uit te komen. De kosten (dus ook de Total Expense Ratio) moeten hier nog vanaf.

Stuur deze vraag door

Klopt het dat de berekening van de GUISE van een spaarbeleggingsproduct berekend mag worden op basis van een gewogen gemiddelde van het beleggings- en het spaargedeelte?

Ja. De GUISE van een spaarbeleggingsproduct mag berekend worden op basis van een gewogen gemiddelde van het beleggings- en het spaargedeelte. De totale inleg kan verdeeld worden in 50% beleggen en 50% sparen. De beide GUISEs kunnen vervolgens bij elkaar opgeteld worden. Bij de berekeningen van de GUISEs moeten wel de juiste kosten aan de juiste kostencomponent worden doorbelast.

Stuur deze vraag door

Mag ik voor de bepaling van het risico uitgaan van de verhouding tussen de inleg en de afkoopwaarde respectievelijk de inleg en het gegarandeerde kapitaal?

Een financiële dienstverlener mag voor de bepaling van het risico uitgaan van de verhouding tussen de inleg en de afkoopwaarde respectievelijk de inleg en het gegarandeerde kapitaal, mits de financiële dienstverlener onder kapitaalreikendheidstoezicht als bedoeld in artikel 1:1, sub j, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft staat.

Een financiële dienstverlener mag voor de bepaling van het risico uitgaan van de verhouding tussen de inleg en de afkoopwaarde respectievelijk de inleg en het gegarandeerde kapitaal, mits de financiëledienstverlener onder kapitaalreikendheidstoezicht als bedoeld in artikel 1:1, sub j, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft staat.

Stuur deze vraag door

De gehanteerde omschrijving van lineaire en niet-lineaire producten roept vragen op. Er zijn immers ook derivaten die een lineair karakter hebben (bijvoorbeeld futures). Hoe moet ik hiermee omgegaan?

Een belegging is lineair in de zin van bijlage 4 van de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) wanneer er een vast verband bestaat tussen de prijsontwikkelingen in de markt en de prijs van de belegging. Een rechtstreekse belegging in aandelen is lineair omdat bij een beweging van de relevante markt, de beleggingsportefeuille één op één mee zal bewegen. Bij complexe producten die derivaten als onderdeel van het product of constructie hebben is dit niet het geval. Wanneer bij bijvoorbeeld een clickfonds de waarde van de beleggingsportefeuille soms wordt vastgezet verandert de waarde van de belegging niet meer één op één mee met de ontwikkeling van de markt. Dit is een niet-lineair product in de zin van bijlage 4 NRgfo.

 

Stuur deze vraag door

Wanneer beschikt een beleggingsinstelling over voldoende historie om gebruik te maken van fondsspecifieke parameters?

Een beleggingsinstelling beschikt over voldoende historie om gebruik te maken van fondsspecifieke parameters als het mogelijk is een betrouwbaar verwacht rendement en een betrouwbare volatiliteit uit te rekenen. Artikel 3:9, lid 1, sub a, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) geeft aan wanneer er van voldoende historie sprake is en op welke wijze de fondsspecifieke parameters moeten worden berekend. Er is minimaal 4 jaar historie noodzakelijk. Voor het bepalen van de fondsspecifieke parameters kan gebruik gemaakt worden van de formules in paragraaf 2 van bijlage 5 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Stuur deze vraag door

Moeten in- en uitstapkosten (spread) worden verwerkt in de berekeningen?

Ja. De in- en uitstapkosten (spread) vallen onder de eenmalige kosten zoals bedoeld in bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Stuur deze vraag door

Hoe moet ik de GUISE aanpassen voor de totale kosten per jaar en kan ik daarvoor de Total Expense Ratio gebruiken?

Ja. U kunt hiervoor onder andere de Total Expense Ratio (‘TER’) gebruiken. Let wel op, want in de TER zijn niet alle jaarlijkse kosten opgenomen. De meest recente TER is dus niet altijd de beste voorspeller van de toekomstige kosten, maar kan wel een goede start zijn voor de benadering van de kosten. De kosten moeten rekentechnisch worden ingebracht zoals omschreven in bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Stuur deze vraag door

Welke rekenwijze moet ik kiezen als het gemiddelde volume op een andere rekenwijze (2 meetpunten) wordt vastgesteld dan het gemiddelde volume voor de Total Expense Ratio (5 meetpunten)?

Doorlopende kosten kunnen in mindering worden gebracht op het gemiddelde volume. Als dit gemiddelde volume op een andere rekenwijze wordt vastgesteld (2 meetpunten) dan het gemiddelde volume voor de Total Expense Ratio (5 meetpunten), kan er gekozen worden voor de vaststelling op basis van twee meetpunten (bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft).

Stuur deze vraag door

Is artikel 3:6, lid 3, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft van toepassing op beleggingsinstellingen?

Ja. In artikel 3:20 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) is bepaald dat artikel 3:6, lid 3, NRgfo van toepassing is op rechten van deelneming in een beleggingsinstelling.

Stuur deze vraag door

Een fonds dat voor 90% in deposito’s belegt en voor 10% in opties, moet dat worden ingedeeld op basis van samenstelling van de portefeuille (resulterend in beleggingsklasse 1) of op basis van het risicoprofiel (resulterend in beleggingsklasse 4)? En hoe moet vervolgens met de non-lineariteit worden omgegaan bij het berekenen van de GUISE?

Het antwoord op deze vraag vindt u in het toegevoegde pdf document.

Stuur deze vraag door

Waarom geeft de applicatie andere GUISE-waarden voor producten met periodieke inleg dan tabel 2a, bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft?

De applicatie gebruikt een benadering om de GUISE voor producten met een periodiek inleg te bepalen. Deze zijn doorgaans lager dan de waarden in tabel 2a in bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft die op basis van simulatie bepaald zijn. De formule voor de benadering kunt u vinden onder ‘Hoe moet ik de GUISE van een product met periodieke inleg berekenen?’.

Stuur deze vraag door

Hoe moet ik bij de berekening van de GUISE omgaan met derivaten (niet-lineaire producten)?

Als derivaten risico verminderend zijn bij de GUISE, dan is het niet verplicht deze mee te nemen in de berekening (kan dan worden berekend als lineair product, zie bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft).

Als de derivaten opbrengst vermeerderend zijn, dan moeten deze wel worden meegenomen in de berekening van de GUISE. De GUISE kan dan namelijk lager worden (in dat geval dus verplicht behandelen als niet-lineair product).

Als het gebruik van derivaten marginaal is, dan hoeft er geen rekening mee gehouden te worden. Het uitgangspunt voor het opstellen van de financiële bijsluiter is de ‘maatmens’ en een voor de ‘maatmens’ geldende standaardsituatie. Kies voor het opstellen van de financiële bijsluiter wat voor het betreffende product het meest representatief is.

Stuur deze vraag door