Go to content
Attention:

Lukt het niet om in te loggen op het AFM Portaal?

Het kan helpen om uw browsergeschiedenis/cookies te verwijderen

Nationaal regime

Het nationaal regime is een vrijstellingsregeling van een deel van de MiFID II-vereisten. Op deze pagina staat voor wie het nationaal regime relevant is en zijn de belangrijkste eisen die gelden voor dienstverlening binnen het nationaal regime opgenomen.

Welke diensten vallen binnen het nationaal regime?

Binnen het nationaal regime mogen uitsluitend de volgende beleggingsdiensten worden verleend:

- het ontvangen en doorgeven van orders in deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen en icbe’s (hierna: beleggingsfondsen); en/of
- het geven van beleggingsadvies over beleggingsfondsen.

Voor wie is het nationaal regime relevant?

Het nationaal regime is met name relevant voor financiële dienstverleners die adviseren in hypothecair krediet en/of vermogen.

Het nationaal regime beoogt deze financiële dienstverleners in staat te stellen om te adviseren met betrekking tot gecombineerde producten met een beleggingscomponent. Ook kunnen zij voor deze producten orders en ontvangen en doorgeven.

Voorbeelden van dergelijke producten zijn: effectenhypotheken, pensioenproducten en andere vermogensopbouwproducten.

Om gebruik te kunnen maken van het nationaal regime, dienen personen zich te melden bij de AFM om een nationaal regime registratie te krijgen. Financiële dienstverleners met een nationaal regime registratie mogen ook adviseren over beleggingsfondsen en/of het ontvangen en doorgeven van orders in beleggingsfondsen zonder dat er sprake is van een gecombineerd product.

Verplichtingen nationaal regime

In de Vrijstellingsregeling Wft is opgenomen aan welke eisen financiële dienstverleners en beleggingsondernemingen bij aanvang moeten voldoen (artikel 11), en welke doorlopende eisen er gelden (artikel 35a), om diensten te mogen verlenen onder het nationaal regime. Enkele belangrijke eisen worden onderstaand toegelicht. Let op, dit is geen uitputtend overzicht van alle relevante eisen.

Organisatorische verplichtingen

Er zijn een aantal organisatorische eisen die gelden om diensten te mogen verlenen onder het nationaal regime. Dagelijks beleidsbepalers en medebeleidsbepalers dienen geschikt en betrouwbaar te zijn. Ook blijft een onderneming die werkzaamheden uitbesteedt, verantwoordelijk voor de naleving van de regels door de derde partij. Deze onderneming vormt het enige aanspreekpunt voor de toezichthouder. Het uitbesteden van werkzaamheden mag geen belemmering vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van de Wft en het BGfo.

Twee belangrijke organisatorische eisen die nieuw of aangepast zijn naar aanleiding van MiFID II zijn het productontwikkelingsproces en het bewaren van gegevens.

Productontwikkelingsproces

Bij de selectie van beleggingsproducten en -diensten moet de onderneming die diensten verleent onder het nationaal regime (de distributeur) aan de volgende eisen voldoen:

•De distributeur heeft een adequaat proces. Dat proces leidt ertoe dat de producten en diensten die zij aanbieden aansluiten bij de behoeften, karakteristieken en doelstellingen van een geïdentificeerde doelgroep (de doelgroep).

•De distributiestrategie is afgestemd op de doelgroep.

•De distributeur gebruikt de informatie van de ontwikkelaar en combineert dit met haar eigen informatie over haar klanten. Aan de hand van de behoeften, karakteristieken en doelstellingen van haar klanten bepaalt de beleggingsonderneming aan wie zij het beleggingsproduct of de dienst gaat aanbieden. De distributeur moet dus zelf een doelgroep vaststellen en bepalen op welke wijze de distributie plaatsvindt.

•Als het beleggingsproduct niet is ontwikkeld door een ontwikkelaar die onder de scope van MIFID II valt, moet de distributeur al het redelijke doen om te waarborgen dat de productinformatie van deze ontwikkelaar betrouwbaar en adequaat is.

•De distributeur moet het selectieproces van beleggingsproducten regelmatig beoordelen en bepalen of het product of de beleggingsdienst aansluit bij de behoeften van de doelgroep. Ook moet hij beoordelen of de distributiestrategie nog steeds geschikt is. De distributeur moet de ontwikkelaar hierover informeren en ook over de verkoop van het beleggingsproduct. De ontwikkelaar heeft die informatie nodig voor het herzien van zijn beleggingsproducten.

Bewaren van gegevens

Ondernemingen dienen de gegevens met betrekking tot gegeven beleggingsadviezen en de ontvangen en doorgegeven orders vijf jaar te bewaren. Artikel 72 van de gedelegeerde verordening schrijft voor welke gegevens moeten worden bewaard en op welke wijze. Artikel 74 van de gedelegeerde verordening werkt verder uit hoe gegevens over ontvangen en doorgegeven orders met betrekking tot financiële instrumenten dienen te worden bijgehouden.

Telefoongesprekken en elektronische communicatie met cliënten die zijn gericht op het verrichten van transacties in financiële instrumenten dienen opgenomen en opgeslagen te worden. In artikel 76 van de gedelegeerde verordening is dit nader uitgewerkt.

Zowel nieuwe als bestaande klanten moeten ervan op de hoogte worden gesteld dat telefoongesprekken, elektronische communicatie of andere gesprekken tussen de onderneming en de klant die gericht zijn op het verrichten van transacties, zullen worden opgenomen of vastgelegd.

Vakbekwaamheid

De regels over vakbekwaamheid zijn verschillend voor financiële dienstverleners die diensten onder het nationaal regime verrichten en beleggingsondernemingen met een nationaal regime vergunning.

Financiële dienstverleners moeten ervoor zorgen dat er sprake is van vakbekwame beleggingsdienstverlening aan cliënten. Medewerkers moeten over het Wft diploma Adviseur Vermogen beschikken. Verder moeten financiële dienstverleners ervoor zorgen dat alle medewerkers te allen tijde op de hoogte zijn van de laatste actuele ontwikkelingen. Dat betekent dat het bedrijfsvoeringsmodel van de financiële dienstverleners erop moet zijn ingericht dat nieuwe kennis snel en adequaat binnen de onderneming wordt verspreid.

Voor beleggingsondernemingen met een nationaal regime vergunning geldt dat zij dienen te voldoen aan de vakbekwaamheidseisen zoals opgenomen in de Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft. Voor meer informatie over de Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft kunt u hier terecht.

Gedragsregels

Er zijn een aantal gedragsregels die gelden om diensten te mogen verlenen onder het nationaal regime. Zo gelden er eisen ten aanzien van coldcalling, colportage en belangenconflicten. Ook geldt de algemene zorgplicht.

Vier belangrijke gedragsregels die nieuw of aangepast zijn naar aanleiding van MiFID II zijn informatieverstrekking, kostentransparantie, ken uw klant en de provisieregels. Deze zijn onderstaand nader uitgewerkt.

Informatieverstrekking

De informatie die aan de klant wordt verstrekt moet feitelijk juist, begrijpelijk en niet misleidend zijn en voldoen aan de aanvullende voorwaarden van artikel 44 van de gedelegeerde verordening. De klant moet informatie ontvangen over de beleggingsdienst of beleggingsfonds voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van de beleggingsdienst of het financieel instrument.

Ook dient aan een klant informatie te worden verstrekt over de onderneming en haar dienstverlening, financiële instrumenten en voorgestelde beleggingsstrategieën, de plaatsen van uitvoering en alle kosten en bijbehorende lasten. De onderneming dient klanten voorafgaand aan het advies te informeren of zij afhankelijk of onafhankelijk adviseert en of het advies op een brede dan wel beperktere analyse van verschillende soorten beleggingsfondsen is gebaseerd. In de artikelen 46 tot en met 48 en 50 tot en met 53 van de gedelegeerde verordening zijn nadere voorschriften opgenomen over de informatieverstrekking.

Daarnaast dient de onderneming de klant te informeren of zij periodiek de geschiktheid van de financiële instrumenten beoordeelt die zij heeft geadviseerd. Verder dienen de ondernemingen periodiek rapporten aan de klant te verstrekken over de verleende beleggingsdiensten.

Kostentransparantie

Samengevat houden de nieuwe regels het volgende in:

1. De onderneming moet voorafgaand aan de dienstverlening de klant een totaaloverzicht van alle te verwachten kosten verstrekken. Onder alle kosten wordt verstaan: de kosten van de dienstverlening (beleggingsdienst en nevendienst) en de kosten van het financieel instrument, bijvoorbeeld de transactiekosten die een fonds maakt bij de koop en verkoop van effecten.
2. Met behulp van een illustratie moet de onderneming haar klant inzicht geven in het cumulatieve effect van de totale kosten op het rendement.
3. De onderneming moet haar klant informeren over de manier waarop de kosten in rekening worden gebracht.
4. De onderneming die een doorlopende relatie heeft met een klant moet deze klant ten minste 1 keer per jaar informatie geven over de in totaal in rekening gebrachte kosten. Deze informatie kan in de reguliere periodieke rapportages worden opgenomen.

Ken uw klant

Ondernemingen die beleggingsadvies verlenen dienen informatie in te winnen bij de belegger over diens financiële positie, kennis, ervaring, beleggingsdoelstellingen en risicobereidheid. De regels met betrekking tot deze zogenaamde geschiktheidstoets en de daarbij behorende rapportageverplichtingen zijn opgenomen in de artikelen 54 en 55 van de gedelegeerde verordening.

Ondernemingen die orders ontvangen en doorgeven dienen een passendheidstoets uit te voeren. Dit betekent dat zij moeten beoordelen of de dienst en het financieel instrument passend zijn voor de desbetreffende cliënt. Zij moeten vaststellen of de belegger beschikt over voldoende kennis en ervaring om te begrijpen welke risico’s aan het betrokken beleggingsfonds verbonden zijn. In artikel 55 van de gedelegeerde verordening is aangegeven hoe de kennis en ervaring van de cliënt dient te worden beoordeeld. In artikel 55 en 56 van de gedelegeerde verordening is tevens voorgeschreven welke informatie over de passendheidstoets dient te worden bijgehouden.

Er bestaat een uitzondering op de passendheidstoets. De beleggingsondernemingen hoeven de passendheidstoets niet uit te voeren indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, waaronder dat de order op initiatief van de cliënt wordt ontvangen en doorgeven zonder dat er voorafgaand advies heeft plaatsgevonden (zie veelgestelde vragen) en er sprake is van een niet-complex financieel instrument op grond van artikel 57 van de gedelegeerde verordening.

Provisieregels

Personen die adviseren over beleggingsfondsen of orders doorgeven en ontvangen met betrekking tot beleggingsfondsen, dienen te voldoen aan de provisieregels, zoals opgenomen in artikel 168a BGfo. De provisieregels zijn enkel van toepassing op de dienstverlening die verband houdt met beleggingsfondsen.

Kort samengevat houden de provisieregels in dat er geen provisie mag worden ontvangen of verstrekt in relatie tot de verstrekte beleggingsdiensten. Hierop zijn enkele uitzonderingen, zoals betalingen die rechtstreeks worden gedaan door de klant.

Daarnaast gelden strikte voorwaarden voor het ontvangen van research. Research kwalificeert in beginsel als provisie, tenzij de onderneming er zelf voor betaalt. Wanneer research als provisie wordt gekwalificeerd, betekent dit dat de research niet mag worden ontvangen.

De onderneming kan de research uit haar eigen middelen betalen, maar mag dit ook in rekening brengen bij haar klanten. Wanneer zij ervoor kiest om haar klanten te laten betalen, dan kan zij dat op 2 manieren doen: de kosten van de research direct bij de klant in rekening brengen (via een separate rekening), of deze in rekening brengen door een opslag op de transactiekosten. Aan laatstgenoemde mogelijkheid zijn wel strenge eisen verbonden. Zo moet het bedrag dat voor research in rekening wordt gebracht gebaseerd zijn op het budget dat de onderneming daarvoor heeft vastgesteld. Bovendien mag het bedrag nooit afhankelijk zijn van het transactievolume en/of de waarde van de uitgevoerde transacties.

Veelgestelde vragen over het nationaal regime

Hoe controleert een beleggingsonderneming of de (bank)beleggingsondernemingen en/of beleggingsinstellingen waar zij mee samenwerkt in Nederland actief mogen zijn?

Volgens artikel 11, tweede lid, onder c, Vrijstellingsregeling Wft mogen orders alleen worden doorgegeven aan beleggingsinstellingen die in Nederland beleggingsfondsen mogen aanbieden en beleggingsondernemingen en kredietinstellingen die in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen beleggingsfondsen die aangeboden worden door beleggingsinstellingen die een vergunning hebben en beleggingsinstellingen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht.

De beleggingsonderneming opererend binnen de reikwijdte van het nationaal regime kan verifiëren of een beleggingsonderneming of beleggingsinstelling in Nederland activiteiten mag verrichten door raadplegen van de registers van de AFM.

Vrijgestelde beleggingsinstellingen staan echter niet in het AFM-register. De beleggingsonderneming moet daarom bij deze beleggingsinstelling nagaan op welke grondslag zij zijn vrijgesteld. In het kader van de bedrijfsvoering moet dit worden vastgelegd.

Als er sprake is van een integraal advies over een financiële dienst en beleggingsadvies in de zin van het nationaal regime (bijv. een hypotheekadvies), moet je dan uitgaan van de adviesregels van de Wft of MiFID II?

De adviesregels Wft zijn van toepassing op het financiële product (bijv. aflossingsvrije hypotheek), de adviesregels MiFID II zijn van toepassing op de beleggingsdienst (bijv. de geadviseerde beleggingsfondsen).

Aangezien de ken-uw-cliënt-regels in het nationaal regime verder gaan dan de reeds geldende regels voor bemiddelaars en adviseurs moet in ieder geval voor het advies over beleggingsfondsen aansluiting worden gezocht bij de ken-uw-cliënt-regels van het nationaal regime. Het staat de onderneming overigens vrij om de adviesregels MiFID II van toepassing te verklaren op zowel het financiële product en de beleggingsdienst.

Wat moet een vergunninghouder doen als hij besluit geen gebruik meer te maken van het nationaal regime?

Wanneer een financieel dienstverlener bij de AFM gemeld heeft gebruik te willen maken van het nationaal regime en hij besluit geen gebruik meer te willen maken van zijn vrijstelling, dan moet hij zijn registratie intrekken. Dit kan de onderneming via ons AFM Portaal.

Wanneer een onderneming activiteiten onder het nationaal regime ontplooit op basis van een nationaal-regimevergunning kan hij deze ook intrekken via ons AFM Portaal.

Moet een onderneming aan alle eisen van het nationaal regime voldoen als er alleen sprake is van beheer in beleggingsproducten?

Als een onderneming beschikt over een nationaal regime-registratie moet zij aan alle eisen voldoen.

Met een nationaal regime registratie mogen de volgende beleggingsdiensten mogen worden verleend:

• orders in deelnemingsrechten ontvangen en doorgeven in beleggingsinstellingen en icbe’s (beleggingsfondsen) en/of
• beleggingsadvies geven over beleggingsfondsen

Wanneer een onderneming de nationaal regime-registratie inlevert, mag zij niet langer beleggingsdiensten verlenen. Ook niet als het gaat om wijzigingen in bestaande beleggingsproducten.

Alleen het feit dat een onderneming klanten heeft aan wie in het verleden beleggingsdiensten zijn verleend leidt er niet toe dat er sprake is van een beleggingsdienst. Klanten voor wie wijzigingen in bestaande beleggingsproducten moeten worden doorgevoerd of voor wie nieuwe beleggingsproducten worden afgesloten moeten echter wel worden doorverwezen naar een beleggingsonderneming.

Om onduidelijkheid over het begrip beheer te voorkomen: op basis van het nationaal regime is het niet toegestaan de beleggingsdienst vermogensbeheer te verlenen.

Wat moet in de cliëntovereenkomst opgenomen worden?

Een cliëntovereenkomst bevat een beschrijving van de aard en reikwijdte van de dienstverlening en daarmee de taken en de verantwoordelijkheden van de beleggingsonderneming.

Bij de aard van de dienstverlening moet gedacht worden aan advisering en/of het ontvangen en doorgeven van orders door de beleggingsonderneming. De reikwijdte betreft bijvoorbeeld de frequentie van de dienstverlening (bijvoorbeeld wel of niet doorlopend advies en hoe regelmatig).

Valt advies over tweede- en/of derdepijlerpensioenproducten onder het nationaal regime?

Dat is afhankelijk van het pensioenproduct waarover geadviseerd wordt. De adviseur moet een product, en daaropvolgend zijn dienstverlening, kwalificeren.

Beoordeelt de adviseur het pensioenproduct als een financieel instrument? Dan verleent hij een beleggingsdienst. En is het financieel instrument een beleggingsfonds? Dan mag hij hierover adviseren onder het nationaal regime. Maar bij een ander financieel instrument moet de adviseur een vergunning als beleggingsonderneming hebben.

Het maakt niet uit of er sprake is van een tweedepijlerpensioenproduct (waarbij het advies gericht kan zijn op een werkgever) of derdepijlerpensioenproduct.

Twijfel je over de kwalificatie van een pensioenproduct? Neem dan contact op met de aanbieder van het product.

Moet een onderneming aan alle eisen voldoen als zij slechts incidenteel diensten verleent onder het nationaal regime?

Ja

Valt onderhoud aan een bestaande effectenhypotheek of het oversluiten van een hypotheek onder de reikwijdte van het nationaal regime?

Onderhoud plegen betekent vaak het geven van een nieuw advies over beleggingsfondsen en/of het doorgeven van een nieuwe order over beleggingsfondsen. Deze handelingen vallen onder de reikwijdte van het nationaal regime. Hetzelfde geldt voor het oversluiten van een hypotheek: als er sprake is van adviseren over beleggingsfondsen en/of het doorgeven van een nieuwe order met betrekking tot beleggingsfondsen.

Wanneer is er sprake van ‘op initiatief van de cliënt orders ontvangen en doorgeven zonder dat er voorafgaand advies heeft plaatsgevonden’?

Een beleggingsonderneming hoeft bij het ontvangen en doorgeven van orders in beleggingsfondsen géén informatie in te winnen en géén passendheidstoets uit te voeren als de orders op initiatief van de cliënt worden ontvangen of doorgegeven en er sprake is van is van een niet-complex financieel instrument op grond van artikel 57 van de gedelegeerde verordening.

Er is sprake van initiatief van de cliënt als de cliënt op geheel eigen initiatief vraagt om de dienst. Hier wordt niet onder verstaan: een reactie van een cliënt op een door de beleggingsonderneming verzonden uitnodiging met betrekking tot een specifiek product of een specifieke transactie.

Een reactie van een cliënt op een promotie of aanbieding van algemene aard die gericht is tot het publiek of een brede groep wordt wel gezien als initiatief van de cliënt en dus hoeft er geen informatie te worden ingewonnen of een passendheidtoets te worden uitgevoerd.

Hoe moet een beleggingsonderneming omgaan met verschillende standaard klantprofielen van meerdere aanbieders?

Op grond van artikel 4:23 Wft dient de beleggingsonderneming die een cliënt adviseert informatie in te winnen over de financiële positie, kennis en ervaring, beleggingsdoelstellingen en risicobereidheid van de cliënt op beleggingsgebied. In de gedelegeerde MiFID II verordening is verder gedetailleerd voorgeschreven welke informatie de onderneming zal moeten inwinnen.

De verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de ken-uw-klant-verplichting ligt bij de beleggingsonderneming die adviseert.

Een standaard klantprofiel wordt door de meeste aanbieders vrijblijvend als hulpmiddel ter beschikking gesteld aan beleggingsondernemingen. Het doel van het klantprofiel is om de beleggingsonderneming te ondersteunen bij het maken van een keuze voor geschikte beleggingsfondsen bij de aanbieder. Ook worden de klantprofielen beschikbaar gesteld om commerciële redenen: een (in de ogen van de beleggingsonderneming) goed of handig profiel zorgt ervoor dat de beleggingsonderneming sneller producten afsluit bij de betreffende aanbieder.

Enkele aanbieders stellen het gebruik van hun klantprofiel verplicht als hun product wordt geadviseerd.

De beleggingsonderneming is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de informatie van de cliënt. Daarom zal de beleggingsonderneming zelf een overwogen keuze moeten maken of deze gebruik maakt van het klantprofiel dat door een andere beleggingsonderneming wordt verstrekt.

Mogen verbonden bemiddelaars die staan geregistreerd onder een financieel dienstverlener met een nationaal-regimeregistratie ook activiteiten verrichten op het gebied van deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen?

Nee, de verbonden bemiddelaar wordt in art. 11 Vrijstellingsregeling Wft niet uitgezonderd van de vergunningplicht ex art. 2:96 Wft. Een verbonden bemiddelaar is een financieel dienstverlener die uitsluitend bemiddelt voor één aanbieder, of voor meerdere aanbieders als deze niet in concurrerende producten bemiddelt. Niet relevant voor de positie van de verbonden bemiddelaar is of de aanbieder waaraan deze bemiddelaar is verbonden een nationaal-regimeregistratie heeft.

Als een verbonden bemiddelaar wil adviseren in beleggingsfondsen of orders wil doorgeven en ontvangen met betrekking tot beleggingsfondsen, dan moet hij daarom zelfstandig een nationaal-regimevergunning aanvragen.

Moet een onderneming aan alle eisen voldoen als zij beschikt over een nationaal regime-registratie maar geen producten heeft die daar onder vallen?

Ja. Als een onderneming beschikt over een nationaal regime-registratie, moet zij voldoen aan de voorwaarden. Als de onderneming geen orders ontvangt of doorgeeft in beleggingsfondsen en geen beleggingsadvies geeft over beleggingsfondsen, kan zij besluiten registratie in te leveren. In dat geval is het niet langer noodzakelijk om te voldoen aan de vereisten die gelden voor het nationaal regime.

Hoe verhouden zich de deskundigheidseisen voor bedrijfsvoering van aanbieders van beleggingsobjecten zich tot die van bemiddelaars en adviseurs van beleggingsobjecten

Beleggingsobjecten zijn doorgaans veelzijdige, complexe producten met een lange looptijd, waaraan de nodige risico’s zijn verbonden. Een aanbieder van beleggingsobjecten dient te beschikken over een beheerste en integere bedrijfsvoering. Daarnaast gelden een aantal specifieke eisen voor aanbieders die niet van toepassing zijn op bemiddelaars en adviseurs van beleggingsobjecten, zoals de plicht tot het vooraf opstellen van een beleggingsobjectprospectus, een financiële bijsluiter voor de producten en, het jaarlijks laten opstellen van een taxatie door een onafhankelijke taxateur.

Kortom, er zijn grote verschillen tussen aanbieders in beleggingsobjecten enerzijds en bemiddelaars en adviseurs in beleggingsobjecten anderzijds, zowel in termen van complexiteit van de bedrijfsvoering als ook met betrekking tot de informatieverstrekking. Daarom zijn de eisen die aan aanbieders van beleggingsobjecten worden gesteld op dit aspect zwaarder dan de eisen die worden gesteld aan financiële dienstverleners die alleen bemiddelen en/of adviseren in beleggingsobjecten.

De AFM verwijst in dit verband ook naar de toelichting bij de “Vaststelling tarieven 2006 Regeling toezichtkosten Wet financiële dienstverlening” gepubliceerd in de Staatscourant van 13 januari 2006, nr. 10 pag. 10.