Terug

Welke vormen van het cliƫntenonderzoek kent de WWFT?

  1. Het vereenvoudigd cliëntenonderzoek. Bij het vereenvoudigd cliëntenonderzoek is er sprake van cliënten bij wie een laag risico bestaat op witwassen en financieren van terrorisme. Hierbij dient een instelling in ieder geval rekening te houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in bijlage II van de vierde anti-witwasrichtlijn. In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar overheden of overheidsbedrijven of levensverzekeringspolissen met een lage premie.


  2. Het ‘standaard’ cliëntenonderzoek. Het cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om:

    • de cliënt te identificeren
    • diens identiteit te verifiëren
    • de uiteindelijke belanghebbende te identificeren en diens identiteit te verifiëren
    • doel en beoogde aard van de zakelijke relatie vast te stellen
    • de zakelijke relatie en zijn transacties te monitoren, eventueel onderzoek naar de bron van de middelen die bij de relatie of de transactie gebruikt worden
    • vast te stellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is en deze persoon te identificeren en diens identiteit te verifiëren.


  3. Het verscherpt cliëntenonderzoek. Een verscherpt cliëntenonderzoek dient te worden verricht indien een zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico vertegenwoordigt. De wetgever heeft in artikel 8 Wwft de volgende gevallen benoemd waarin altijd sprake is van een hoger risico:

    • Het betreft een zakelijke relatie of transactie met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme.
    • De cliënt - of de UBO van de cliënt – is woonachtig of gevestigd, dan wel heeft zijn zetel, in een staat die door de Europese Commissie is aangewezen als een hoog risico-staat.
    • De cliënt - of de UBO van de cliënt - is een politically-exposed person (PEP). Het begrip PEP beperkt zich niet langer tot buitenlandse PEP’s: ook binnenlandse PEP’s vallen nu onder dit begrip.
    • In het geval van een correspondentrelatie. Onder correspondentrelaties worden betrekkingen tussen instellingen onderling beschouwd die zijn aangegaan voor bijvoorbeeld diensten als contantenbeheer, geldovermakingen, transitrekeningen, valutawisseldiensten, en effectentransacties.

Het bepaalde in artikel 8, tweede lid, Wwft (oud) dat een instelling verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen moest nemen wanneer een cliënt niet fysiek aanwezig is voor verificatie van diens identiteit, is vervallen. Wel worden in bijlage III bij de vierde anti-witwasrichtlijn ‘zakelijke relaties op afstand of transacties op afstand, zonder sommige garanties, zoals elektronische handtekeningen’ als hoger risico aangeduid. Een instelling houdt in haar risicobeoordeling in ieder geval rekening houden met deze risicofactor.



Naar alle veelgestelde vragen