Terug

Wat is de omvang van de publicatieplicht van een bieder op wie artikel 5:25i Wft niet rechtstreeks van toepassing is?

Voor een bieder (in de zin van artikel 1:1 Wft, dat wil zeggen vanaf het moment dat een openbaar bod wordt voorbereid, kwalificeert men als bieder) van wie geen door hem uitgegeven of aangeboden financiële instrumenten met zijn instemming zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in Nederland, geldt de verplichting tot openbaarmaking van koersgevoelige informatie op grond van artikel 4 lid 3 Bob. Deze verplichting geldt, als gevolg van artikel 4 lid 3 Bob, voor zover het koersgevoelige informatie betreft “die rechtstreeks op hem betrekking heeft of verband houdt met het voorgenomen, aangekondigde of uitgebrachte openbaar bod”.

De doelstelling van artikel 4 lid 3 Bob is dat de hiervoor bedoelde bieder gedurende de gehele periode van een openbaar bod, dus vanaf het voorbereiden van een openbaar bod tot en met de eventuele na-aanmeldingstermijn, alle informatie openbaar maakt die van belang is voor de beoordeling van het (mogelijke) bod. Op grond van artikel 4 lid 3 Bob dient een bieder dan ook alle informatie openbaar te maken die “verband houdt met het voorgenomen, aangekondigde of uitgebrachte openbaar bod”.

Gezien de doelstelling meent de AFM dat voor zover koersgevoelige informatie weliswaar rechtstreeks betrekking heeft op de hiervoor bedoelde bieder, maar voor een redelijk handelende belegger in het geheel niet relevant is voor het vormen van een verantwoord oordeel over het (mogelijke) bod, de betreffende informatie niet op grond van artikel 4 lid 3 Bob openbaar hoeft te worden gemaakt in Nederland. Dit laat onverlet enige openbaarmakingsverplichting die de bieder mogelijk heeft in het land waar zijn effecten zijn toegelaten tot een notering. Rechtstreeks op de bieder betrekking hebbende koersgevoelige informatie die wel relevant is voor het vormen van een verantwoord oordeel over het (mogelijke) bod, dient op grond van artikel 4 lid 3 Bob uiteraard wel openbaar te worden gemaakt in Nederland. Overigens spreekt het voor zich dat met name bij een bod waar de effecten van de bieder in ruil worden aangeboden voor de effecten van de doelvennootschap alle informatie die betrekking heeft op de bieder ook snel relevant zal zijn voor de beoordeling van het (mogelijke) bod.

De voorstaande vraag voorzien van een antwoord was eerder gepubliceerd op de website van de AFM. Het betreft geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van de voorheen gepubliceerde tekst, maar slechts een verduidelijking naar aanleiding van (enkele) signalen uit de markt.

Het antwoord op deze vraag zal op korte termijn worden aangepast voor wat betreft de  nieuwe biedingsregels die op 1 juli 2012 in werking zijn getreden. Dit antwoord blijft wél van toepassing  voor openbare biedingen die zijn aangekondigd vóór 1 juli 2012.



Naar alle veelgestelde vragen