Terug

$name

Veelgestelde vragen voor Artikel 3:9 NRgfo

Bij categorie 6 wordt in de tweede alinea gesproken over ‘low grade investments. Moet het woord ‘aandelen’ in deze zin niet te worden vervangen door ‘obligaties’?

Nee. De opsomming bij categorie 6 spreekt over ‘low grade’ investments. Dit betreft alle beleggingen in bedrijven die een lage kredietwaardigheid krijgen toebedeeld. Daarnaast geldt dat bij twijfel de belegging valt in de categorie met het hoogste rangnummer (bijlage 5 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft).

Stuur deze vraag door

Kan uit bijlage 5 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) voor beleggingsinstellingen worden afgeleid dat het alleen noodzakelijk is om beleggingsklasses te bepalen als er gebruik wordt gemaakt van de GUISE op basis van de tabellen zoals opgenomen in bijlage 4 NRgfo?

Ja, dat klopt. Het is voor beleggingsinstellingen toegestaan om gebruik te maken van fondsspecifieke parameters μ en σ indien de instelling over genoeg fondsspecifieke historie beschikt (bijlage 5 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft).

Stuur deze vraag door

Wanneer een mixfonds een strategische asset allocatie als benchmark heeft van 70% aandelen en 30% obligaties, maar in de praktijk de asset allocatie tijdelijk beperkt daarvan kan afwijken (bijvoorbeeld naar 71/29), moet het fonds dan ingedeeld worden in klasse 4 (mixfonds) of klasse 5 (overwegend aandelen)? Met andere woorden is bij het vaststellen van de beleggingsklasse de benchmark van het fonds leidend of de praktijksituatie die zich mogelijk kan voordoen?

In beginsel moet het beleggingsbeleid (bijvoorbeeld het in grote lijnen volgen van een benchmark) als leidend worden beschouwd en niet een mogelijke incidentele overschrijding van de 70%- grens (bijlage 5 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft).

Stuur deze vraag door

Klopt het dat de GUISE-rendementspercentages gemiddelde rendementen over de looptijd zijn?

Ja. De GUISE rendementspercentages zijn gemiddelde rendementen over de looptijd. Het GUISE-opbrengstscenario moet zo in 4 iteratiestappen bepaald worden: de opbrengst na 1 jaar wordt bepaald door het product door te rekenen met het rendement zoals in tabel 1b bij 1 jaar, de opbrengst na 5 jaar wordt bepaald door het product door te rekenen met het rendement gevonden in tabel 1b bij 5 jaar, enzovoort. Zie voor de toelichting op de berekening van de GUISE bijlage 4 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Stuur deze vraag door

Ik maak mijn financiële bijsluiters met behulp van de FB-generator. Klopt het dat in de financiële bijsluiter slechts één grafiek wordt geprint in plaats van drie dezelfde als bij de productsoort een 'spaarhypotheek' wordt gekozen?

Ja. Als bij het invullen van de gegevens in de FB-generator de productsoort ‘spaarhypotheek’ gekozen wordt, wordt er slechts één grafiek getoond. De productsoort ‘spaarhypotheek’ mag alleen gekozen worden als er sprake is van een ‘spaarhypotheek’ in de zin van de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’). Een financiële bijsluiter geeft dan volgens artikel 3:9, lid 5, NRgfo, voor zover het een ‘spaarhypotheek’ betreft de uitkering zoals bedoeld in het artikel 3:9, lid 1, NRgfo uitsluitend weer met een opbrengstscenario zoals bedoeld in het artikel 3:9, lid 1, sub b, NRgfo. Is er geen sprake van een ‘spaarhypotheek’ dan moet een andere productsoort gekozen worden en zullen er drie grafieken getoond worden.

Stuur deze vraag door

Hoe moet ik de opbrengsten (historisch scenario) berekenen als er een historie van 4 jaar bekend is?

Als er minimaal 4 jaar historie beschikbaar is, moet deze (deels) worden berekend op basis van de werkelijk gerealiseerde bruto beleggingsrendementen op basis van de actuele kosten. Om het werkelijk gerealiseerde bruto beleggingsrendement van een fonds te berekenen kan het gemiddelde netto rendement worden verhoogd met de actuele Total Expense Ratio. Bij een historie van 4 jaar of meer is het verplicht de historie aan te vullen met de van toepassing zijnde parameter onder artikel 3:9, lid 1, sub a, onder 2º, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Stuur deze vraag door

Moet ik een meetkundig of een rekenkundig gemiddelde gebruiken bij het berekenen van het historisch fondsrendement?

Bij het berekenen van het historische fondsrendement moet een meetkundig gemiddelde bepaald worden. De rendementen die gegeven worden in tabel 0,  bijlage 5 van de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft zijn meetkundige gemiddelden.

Stuur deze vraag door

Bij opbrengsten op basis van historie en opbrengsten op basis 4% staat de standaardzin ‘de opbrengst is gelijk aan de inleg’. Klopt het dat deze zin ook getoond moet worden bij uitkomsten van respectievelijk € 1196 en € 1195 versus € 1200 inleg?

Ja. Volgens de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (NRgfo) is de zin de ‘opbrengst is gelijk aan de inleg’ in dit geval juist. Zie de toelichting op artikel 3:9 NRgfo: ‘De korte voorgeschreven toelichting per opbrengstscenario die de aanbieder verplicht is op te nemen over de belangrijkste aannames helpt de consument wederom te begrijpen hoe hij elk scenario moet interpreteren. De beschrijving ‘gelijk aan’ is van toepassing indien de uitkering binnen een marge van 1 procent van de totale schuld of inleg valt. Bovendien kan de consument met de grafische weergave van de opbrengstscenario’s diverse gelijksoortige complexe producten te vergelijken.' Stuur deze vraag door

Welk rendement moet ik gebruiken voor het spaardeel van mijn product?

Een financiëledienstverlener moet beleggingsklasse 1 van bijlage 5 van de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (NRgfo) gebruiken voor het spaardeel van zijn product. De bepaling van beleggingsklasse en parameters moet verder gebeuren op basis van Bijlage 5 van de NRgfo.

Stuur deze vraag door

Moet ik een aandelenfonds dat belegt in Europese small caps in klasse 6 indelen?

Ja. Hoewel in klasse 5 wordt gesproken over ‘grote’ bedrijven, moet een aandelenfonds dat belegt in Europese small caps in klasse 6 ingedeeld worden. Er is namelijk bewust voor gekozen het beleggen in kleine bedrijven (dat immers meer volatiliteit kent) in een hogere risico-categorie te plaatsen (bijlage 5 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft).

Stuur deze vraag door