Terug

In hoeverre zijn er best execution bepalingen van toepassing op beleggingsondernemingen die zelf geen orders uitvoeren, maar deze doorgeven aan en laten uitvoeren door andere partijen / derden?

Artikel 4:90c, eerste lid, van de Wft schrijft voor dat een beleggingsonderneming alle redelijke maatregelen in acht dient te nemen om voor haar cliënten het best mogelijke resultaat te behalen bij het (a) bij derden plaatsen van orders met betrekking tot financiële instrumenten ter uitvoering van beslissingen in verband met het beheren van individueel vermogen en (b) ter uitvoering doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten aan derden.

Deze bepalingen zullen onder andere van toepassing zijn op beleggingsondernemingen die veelal (zelfstandige) vermogensbeheerder of orderremisier worden genoemd. Artikel 4:90c zal echter ook van toepassing zijn op beleggingsondernemingen die ‘normaal gesproken’ zelf orders uitvoeren, maar voor de uitvoering van orders in bepaalde financiële instrumenten gebruik maken van andere partijen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een beleggingsonderneming die voor de uitvoering van orders in op de beurs van New York genoteerde financiële instrumenten gebruik maakt van een in de Verenigde Staten gevestigde broker.

De betreffende beleggingsondernemingen dienen een beleid op te stellen en te implementeren waarin tot uitdrukking wordt gebracht hoe zij verwachten tot het best mogelijke resultaat van de cliënt te komen. Hierbij dient men rekening te houden met de factoren als bedoeld in artikel 4:90a, eerste lid, alsmede de criteria als bedoeld in artikel 4:90a, tweede en derde lid van de Wft. Het beleid zal met name betrekking moeten hebben op de selectie (en het volgen) van partijen ten behoeve van het zo optimaal mogelijk uitvoeren van orders. Hierbij dient de beleggingsonderneming aannemelijk te maken dat de derde partijen die de orders uitvoeren over een orderuitvoeringsregeling beschikken die hen in staat stelt conform het bepaalde in artikel 4:90a, eerste tot en met derde lid, van de Wft, het best mogelijke resultaat te behalen.

Cliënten van de beleggingsonderneming dienen geïnformeerd te worden over het hiervoor genoemde beleid waarbij aan cliënten in ieder geval moet worden vermeld aan welke derde partijen orders ter uitvoering worden doorgegeven. Daarnaast moet uit de informatie blijken waarom de beleggingsonderneming meent dat het behalen van het best mogelijke resultaat gewaarborgd is. Beleggingsonderneming dienen tenslotte de uitvoeringskwaliteit door de uitvoerende partij te monitoren en tenminste jaarlijks te evalueren.

Voor nadere informatie verwijst de AFM u naar artikel 4:90c van de Wft alsmede de toelichting op dit artikel. Tevens verwijst de AFM u naar Question 22 van de Q&A van CESR ‘Best execution under MiFID’ van mei 2007*. 



Naar alle veelgestelde vragen