Terug

Welke personen dienen te worden getoetst op betrouwbaarheid en geschiktheid?

In de artikelen 4:9 en 4:10 Wft is opgenomen welke personen aan de eisen over geschiktheid respectievelijk betrouwbaarheid moeten voldoen. De AFM zal deze eisen bij vergunningverlening en in doorlopend toezicht toetsen.

  1. Dagelijks beleidsbepalers worden getoetst op geschiktheid i.v.m. de bedrijfsvoering van een financiële onderneming;
  2. Beleidsbepalers (waaronder de dagelijks beleidsbepalers) en de personen die toezicht houden op het beleid van een onderneming (leden van de RvC/RvT) worden getoetst op betrouwbaarheid.

Ad 1. Onder dagelijks beleidsbepalers wordt in dit verband verstaan de personen die betrokken zijn bij de beleid- en besluitvorming gericht op het dagelijkse daadwerkelijke uitoefenen van het bedrijf van de financiële onderneming.

Ad 2. Op betrouwbaarheid worden zowel de beleidsbepalers als de personen die toezicht houden op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming getoetst. Bij deze laatste categorie dient gedacht te worden aan leden van de Raad van Commissarissen of leden van de Raad van Toezicht.

De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat door een toezichthouder (AFM of DNB) voor de toepassing van de Wft is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling. De betrouwbaarheid van een bepaalde persoon wordt dus in principe slechts eenmaal getoetst. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien de toezichthouder aanleiding heeft om te veronderstellen dat zich sinds de toetsing wijzigingen in de antecedenten hebben voorgedaan. Het staat de AFM vrij om zelf onderzoek te doen naar de antecedenten van een bepaalde persoon.



Naar alle veelgestelde vragen