Terug

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)

Veelgestelde vragen over Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)

Wat is het doel van de WWFT?

Het voorkomen dan wel bestrijden van het witwassen van geld en financieren van terrorisme, om de integriteit van de financiële markten te waarborgen.

Stuur deze vraag door

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen van de Wwft sinds 25 juli 2018?

De aanscherpingen in de Wwft hebben gevolgen voor financiële ondernemingen. Zo is het verplicht om een beoordeling van risico’s op witwassen en financieren van terrorisme op te stellen (artikel 2b Wwft). Ook op het gebied van cliëntenonderzoek zijn er veranderingen. Een vereenvoudigd cliëntenonderzoek volstaat alleen nadat een laag risico is vastgesteld (artikel 6, eerste lid Wwft). Verder is de definitie van de ultimate beneficial owners (UBO’s) aangepast (artikel 1 Wwft juncto artikel 3 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018) en wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse politically-exposed persons (PEP’s) (artikel 1 Wwft juncto artikel 2 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018). Tot slot is de inrichting van een compliance- en auditfunctie verplicht, wanneer dit evenredig is aan de aard en omvang van de onderneming (artikel 2d, tweede en vierde lid Wwft).

Meer informatie kunt u lezen in de aangepaste Wwft-leidraad.

 

Stuur deze vraag door

Welke partijen vallen onder de WWFT?

Artikel 1a van de Wwft bevat een opsomming van partijen die onder de Wwft vallen. Het gaat hierbij onder meer om: banken, (beheerders van) beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en financiëledienstverleners die bemiddelen in levensverzekeringen en financiëledienstverleners die gebruik maken van het Nationaal Regime (en daardoor als beleggingsonderneming kwalificeren).

In de Wwft (artikel 1a, zesde lid) wordt bepaald dat, indien een beleggingsinstelling of icbe een aparte beheerder heeft, de beheerder van de beleggingsinstelling verantwoordelijk is voor de naleving van de Wwft door de instelling.

Stuur deze vraag door

Wat is het doel van cliëntenonderzoek?

Het doel van het cliëntenonderzoek is de beoordeling van het risico dat een onderneming neemt bij het aangaan van een relatie met een cliënt. Een onderneming verricht een cliëntenonderzoek ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Het cliëntenonderzoek kan worden afgestemd op de risicogevoeligheid voor witwassen of financieren van terrorisme van het type cliënt, zakelijke relatie, product of transactie.

Stuur deze vraag door

Wat houdt het cliëntenonderzoek in?

Op grond van artikel 3 Wwft stelt de instelling het cliëntenonderzoek in staat om:

  • de cliënt te identificeren
  • de identiteit van de cliënt te verifiëren
  • de uiteindelijke belanghebbende te identificeren en diens identiteit te verifiëren
  • doel en beoogde aard van de zakelijke relatie vast te stellen
  • de zakelijke relatie en zijn transacties te monitoren, met eventueel een onderzoek naar de bron van de middelen die bij de relatie of de transactie gebruikt worden
  • vast te stellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is en deze persoon te identificeren en diens identiteit te verifiëren
  • op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om te verifiëren of de cliënt ten behoeve van zichzelf optreedt dan wel ten behoeve van een derde.
Stuur deze vraag door

Wat houdt risicogeoriënteerd cliëntenonderzoek in?

De Wwft kent het risicogeoriënteerde cliëntenonderzoek. Een onderneming kan het cliëntenonderzoek aantoonbaar afstemmen op de risicogevoeligheid voor witwassen of financiering van terrorisme van het type cliënt, zakelijke relatie, product of transactie (artikel 3, achtste lid Wwft).

Stuur deze vraag door

Welke vormen van het cliëntenonderzoek kent de WWFT?

  1. Het vereenvoudigd cliëntenonderzoek. Bij het vereenvoudigd cliëntenonderzoek is er sprake van cliënten bij wie een laag risico bestaat op witwassen en financieren van terrorisme. Hierbij dient een instelling in ieder geval rekening te houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in bijlage II van de vierde anti-witwasrichtlijn. In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar overheden of overheidsbedrijven of levensverzekeringspolissen met een lage premie.


  2. Het ‘standaard’ cliëntenonderzoek. Het cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om:

    • de cliënt te identificeren
    • diens identiteit te verifiëren
    • de uiteindelijke belanghebbende te identificeren en diens identiteit te verifiëren
    • doel en beoogde aard van de zakelijke relatie vast te stellen
    • de zakelijke relatie en zijn transacties te monitoren, eventueel onderzoek naar de bron van de middelen die bij de relatie of de transactie gebruikt worden
    • vast te stellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is en deze persoon te identificeren en diens identiteit te verifiëren.


  3. Het verscherpt cliëntenonderzoek. Een verscherpt cliëntenonderzoek dient te worden verricht indien een zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico vertegenwoordigt. De wetgever heeft in artikel 8 Wwft de volgende gevallen benoemd waarin altijd sprake is van een hoger risico:

    • Het betreft een zakelijke relatie of transactie met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme.
    • De cliënt - of de UBO van de cliënt – is woonachtig of gevestigd, dan wel heeft zijn zetel, in een staat die door de Europese Commissie is aangewezen als een hoog risico-staat.
    • De cliënt - of de UBO van de cliënt - is een politically-exposed person (PEP). Het begrip PEP beperkt zich niet langer tot buitenlandse PEP’s: ook binnenlandse PEP’s vallen nu onder dit begrip.
    • In het geval van een correspondentrelatie. Onder correspondentrelaties worden betrekkingen tussen instellingen onderling beschouwd die zijn aangegaan voor bijvoorbeeld diensten als contantenbeheer, geldovermakingen, transitrekeningen, valutawisseldiensten, en effectentransacties.

Het bepaalde in artikel 8, tweede lid, Wwft (oud) dat een instelling verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen moest nemen wanneer een cliënt niet fysiek aanwezig is voor verificatie van diens identiteit, is vervallen. Wel worden in bijlage III bij de vierde anti-witwasrichtlijn ‘zakelijke relaties op afstand of transacties op afstand, zonder sommige garanties, zoals elektronische handtekeningen’ als hoger risico aangeduid. Een instelling houdt in haar risicobeoordeling in ieder geval rekening houden met deze risicofactor.

Stuur deze vraag door

Op welk moment moet een instelling een cliëntenonderzoek uitvoeren?

De identificatie, verificatie en vaststelling van de uiteindelijk belanghebbende moet plaatsvinden voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een transactie wordt uitgevoerd (op grond van artikel 4, eerste lid Wwft).

Een instelling kan ervoor kan kiezen om de identificatie van de cliënt of UBO tijdens het aangaan van de zakelijke relatie te voltooien om de normale zakelijke dienstverlening niet onnodig te verstoren. Voorwaarden hiervan zijn dat dit alleen mag in situaties met een laag risico en dat de identificatie zo snel mogelijk na het eerste contact wordt voltooid.

Het toegestaan een rekening, met inbegrip van een rekening voor effectentransacties, te openen voordat de verificatie van de identiteit van de cliënt heeft plaatsgevonden, als de instelling waarborgt dat deze rekening niet kan worden gebruikt voordat de verificatie heeft plaatsgevonden (op grond van het derde lid van artikel 4 Wwft).

Stuur deze vraag door

Wanneer kunt u cliëntenonderzoek achterwege laten?

Het cliëntenonderzoek kan niet achterwege worden gelaten, ook niet in geval van laagrisicocliënten. Anders dan voorheen het geval was zijn in de huidige Wwft geen specifieke typen cliënten aangewezen waarbij met een vereenvoudigd cliëntenonderzoek kan worden volstaan. Een instelling zal steeds van geval tot geval voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of transactie moeten beoordelen of sprake is van een laag risico (artikel 6 Wwft). Wanneer sprake is van een bewezen laag risico kan volstaan worden met vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen. Hierbij moet een instelling in ieder geval rekening houden met de niet-limitatieve lijst van risicofactoren in bijlage II van de vierde anti-witwasrichtlijn. In deze bijlage wordt bijvoorbeeld verwezen naar overheden of overheidsbedrijven of levensverzekeringspolissen met een lage premie.

Stuur deze vraag door

Wat als het cliëntenonderzoek niet wordt uitgevoerd of niet kan worden uitgevoerd?

Op basis van artikel 5, tweede lid Wwft moet een zakelijke relatie worden beëindigd wanneer de instelling niet aan de vereisten van het cliëntenonderzoek kan voldoen. Als er al een zakelijke relatie met de cliënt bestaat, maar niet aan het cliëntenonderzoek kan worden voldaan, moet de zakelijke relatie ook worden beëindigd.

Ook zal er een melding aan de FIU-Nederland moeten worden gedaan indien het cliëntenonderzoek niet leidt tot het bedoelde resultaat of de zakelijke relatie wordt beëindigd, en er tevens indicaties zijn dat de desbetreffende cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme (artikel 16, vierde lid Wwft).

Stuur deze vraag door

Wat is het verifiëren van de identiteit?

Bij de identificatie van de cliënt kan worden afgegaan op de door de cliënt verstrekte gegevens. Verifiëren van de identiteit is het vaststellen dat de opgegeven identiteit overeenkomt met de werkelijke identiteit.

Aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron kan de door de cliënt opgegeven identiteit worden gecontroleerd. De verificatie vindt altijd plaats, maar kent een risicogeoriënteerd karakter: de onderneming moet kunnen beargumenteren dat het gerechtvaardigd was om op bepaalde documenten, gegevens of inlichtingen af te gaan.

Stuur deze vraag door

Welke verificatiemiddelen zijn toegestaan?

Natuurlijke personen

  • een geldig paspoort, identiteitskaart, rijbewijs
  • een geldige identiteitskaart of rijbewijs uit een lidstaat
  • reisdocumenten voor vluchtelingen en vreemdelingen
  • vreemdelingendocumenten

Nederlandse en buitenlandse rechtspersonen, in Nederland gevestigd

  • (elektronisch) uittreksel handelsregister (optie: gewaarmerkt)
  • een akte of verklaring van een Nederlandse notaris of een daarmee vergelijkbare functionaris uit een andere lidstaat

Buitenlandse rechtspersonen, niet in Nederland gevestigd

  • betrouwbare en in het internationale verkeer gebruikelijke documenten uit onafhankelijke bron, gegevens of inlichtingen
  • documenten, gegevens of inlichtingen die bij wet als geldig middel voor identificatie zijn erkend in de staat van herkomst van de cliënt

Overige cliënten

  • Aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron.

De onderneming moet kunnen beargumenteren dat het gerechtvaardigd was om op bepaalde documenten, gegevens of inlichtingen af te gaan.

Stuur deze vraag door

Kan een onderneming van de identificatie- en verificatiegegevens gebruikmaken die zij van een andere onderneming heeft gekregen?

De Wwft geeft aan dat het vertrouwen op het cliëntenonderzoek van een andere Wwft-instelling mogelijk is. Een onderneming kan dan voor het cliëntenonderzoek gebruik maken van de identificatie en verificatiegegevens die zij krijgt van een andere onderneming (bijvoorbeeld een bank, een notaris, een betaalinstelling). Dit staat in artikel 5 van de Wwft. Het uitgangspunt is wel dat de instelling verantwoordelijk blijft voor het cliëntenonderzoek en de risicobeoordeling van de cliënt.

Stuur deze vraag door

Mag de onderneming de identificatie van haar cliënten uitbesteden?

Ja, de onderneming mag het cliëntenonderzoek op grond van artikel 10 Wwft aan een derde uitbesteden. De onderneming blijft echter zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Wwft.

Een onderneming kan het cliëntenonderzoek laten verrichten door een derde, onverminderd de verplichting van de onderneming te voldoen aan het cliëntenonderzoek. De identificatie, verificatie, het nagaan van de uiteindelijk belanghebbende en het vaststellen van het doel en beoogde aard van de zakelijke relatie kan worden uitbesteed. Een opdracht tot uitbesteding met een structureel karakter moet door de onderneming schriftelijk worden vastgelegd.

Het opstellen van het risicoprofiel en de voortdurende controle kan niet worden uitbesteed.

Stuur deze vraag door

Wat is een UBO?

Een UBO is een 'ultimate beneficial owner' of uiteindelijk belanghebbende. De instelling is verplicht om de identiteit van de UBO vast te stellen. De twee criteria die van belang zijn om een persoon te kwalificeren als UBO betreft het houden van het uiteindelijke eigendom of het hebben van de uiteindelijke zeggenschap in een cliënt, via het houden van aandelen, stemrechten, eigendomsbelang of andere middelen. In artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 staat een nadere uitwerking welke personen als UBO dienen te worden aangemerkt.

  • Voor B.V.’s en N.V.’s is dat de natuurlijke persoon die direct of indirect voor meer dan 25% economisch gerechtigd is tot de vennootschap, dan wel degene die de zeggenschap uitoefent. Beursvennootschappen zijn uitgezonderd van deze 25% regel.
  • Voor stichtingen en verenigingen is dat de natuurlijke persoon die direct of indirect een eigendomsbelang heeft van meer dan 25%, dan wel meer dan 25% van de stemmen kan uitoefenen ingeval van een statutenwijziging, dan wel de feitelijke zeggenschap heeft over de rechtspersoon.
  • Voor de V.O.F., maatschap, C.V. en rederij is dat de natuurlijke persoon die direct of indirect een eigendomsbelang heeft van meer dan 25%, dan wel meer dan 25% van de stemmen kan uitoefenen ingeval van beheersdaden en/of wijziging van de samenwerkingsovereenkomst.
  • In het geval van een kerkgenootschap zijn de UBO’s de natuurlijke personen die bij ontbinding van het kerkgenootschap als rechtsopvolger in het statuut van het kerkgenootschap zijn benoemd.

Ook natuurlijke personen met een kleiner belang kunnen als uiteindelijk belanghebbende worden aangemerkt, bijvoorbeeld omdat zij op andere wijze de uiteindelijke zeggenschap over een cliënt hebben. Van een trust moeten meer personen als uiteindelijk belanghebbende worden aangemerkt. Het betreft in ieder geval de trustees van een trust, maar ook de oprichter, de eventuele protector en de begunstigde(n) van een trust.

Stuur deze vraag door

Wat als de UBO niet valt te achterhalen?

In bepaalde specifieke gevallen kan een persoon of de personen behorend tot het hoger leidinggevend personeel worden genoteerd als UBO(s) (de 'Pseudo-UBO'). Bijvoorbeeld als er op grond van aandelen, stemrecht of eigendom geen UBO te achterhalen is. Dit geldt ook voor beursgenoteerde ondernemingen. Deze regeling garandeert dat voor iedere rechtspersoon een UBO kan worden geregistreerd. Het aanwijzen van het hoger leidinggevend personeel is een uiterste terugvaloptie en kan alleen na uitputting van alle mogelijke middelen om de UBO te achterhalen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, dan wel als er enige twijfel bestaat of de UBO inderdaad de uiteindelijke eigenaar is of zeggenschap heeft.

Voor de toepassing van het begrip moet onder 'hoger leidinggevend personeel' het statutair bestuur van de cliënt worden verstaan.

Stuur deze vraag door

Wat is een PEP?

Onder PEP’s worden personen verstaan, die een prominente politieke functie bekleden of hebben bekleed en de directe familieleden of naaste geassocieerden van deze personen. Het begrip PEP beperkt zich niet langer tot buitenlandse politiek prominente personen: ook binnenlandse politiek prominente personen vallen nu onder dit begrip.

Een PEP is in elk geval (zie ook artikel 2 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018):

  1. staatshoofd, regeringsleider, minister, onderminister of staatssecretaris
  2. parlementslid of lid van een soortgelijk wetgevend orgaan
  3. lid van het bestuur van een politieke partij
  4. lid van een hooggerechtshof, constitutioneel hof of van een andere hoge rechterlijke instantie die arresten wijst waartegen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, geen beroep openstaat
  5. lid van een rekenkamer of van een raad van bestuur van een centrale bank
  6. ambassadeur, zaakgelastigde of hoge officier van de strijdkrachten
  7. lid van het leidinggevend lichaam, toezichthoudend lichaam of bestuurslichaam van een staatsbedrijf
  8. bestuurder, plaatsvervangend bestuurder, lid van de raad van bestuur of bekleder van een gelijkwaardige functie bij een internationale organisatie.

In het geval dat de cliënt of de UBO een PEP is, dienen verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen te worden getroffen, zoals passende maatregelen om de bron van het vermogen en van de middelen vast te stellen en toestemming van het hoger leidinggevend personeel voor het aangaan of voortzetten van deze zakelijke relatie of het verrichten van deze transactie.

Stuur deze vraag door

Wat houdt het onderzoek naar een correspondentrelatie in?

Onder correspondentrelaties worden betrekkingen tussen instellingen onderling beschouwd die zijn aangegaan voor bijvoorbeeld diensten als contantenbeheer, geldovermakingen, transitrekeningen, valutawisseldiensten, en effectentransacties (artikel 1, eerste lid Wwft). Artikel 8, vierde lid Wwft bepaalt dat indien een dergelijke relatie wordt aangegaan met een andere instelling dan moet, indien deze niet in de EU gevestigd is, er voldoende informatie over die andere instelling worden verzameld om een volledig beeld te krijgen van de aard van haar bedrijfsactiviteiten, en op basis van openbaar beschikbare informatie moet worden beoordeeld wat de reputatie van die instelling is en de kwaliteit van het toezicht dat op die instelling wordt uitgeoefend. Ook moeten de procedures en maatregelen ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme van de andere instelling worden beoordeeld en moeten de verantwoordelijkheden van de beide ondernemingen worden vastgelegd.

Indien het een nieuwe correspondentrelatie betreft wordt op grond van artikel 8, vierde lid, sub c Wwft de beslissing tot het aangaan van die relatie genomen of goedgekeurd door het hoger leidinggevend personeel. Het hoger leidinggevend personeel betreft de dagelijks beleidsbepalers, alsmede de leidinggevenden direct onder het niveau van de dagelijks beleidsbepalers die beslissingen kunnen nemen over de blootstelling van een instelling aan bepaalde risico’s, waaronder de risico’s op witwassen en het financieren van terrorisme.

Dit verscherpte cliëntenonderzoek kan risicogebaseerd worden uitgevoerd, hetgeen betekent dat de intensiteit van de maatregelen kan worden afgestemd op het risico van de betreffende correspondentrelatie.

Stuur deze vraag door

Welke documenten en gegevens moeten worden vastgelegd na het cliëntenonderzoek?

Per categorie moeten de ondergenoemde documenten en gegevens op opvraagbare wijze worden vastgelegd, zoals bedoeld in artikel 33 eerste lid, Wwft. 

Natuurlijke personen, niet zijnde uiteindelijk belanghebbenden

  • de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het adres en de woonplaats, dan wel de plaats van vestiging van de cliënt alsmede van degene die namens die natuurlijke persoon optreedt, of een afschrift van het document dat een persoonidentificerend nummer bevat en aan de hand waarvan de verificatie van de identiteit heeft plaatsgevonden
  • de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteit is geverifieerd.

Natuurlijke personen, zijnde uiteindelijk belanghebbenden

  • de identiteit, waaronder ten minste de geslachtsnaam en voornamen van de uiteindelijk belanghebbende
  • de gegevens en documenten die zijn vergaard op basis van de redelijke maatregelen die zijn genomen om de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende te verifiëren.

Vennootschappen of andere juridische entiteiten

  • de rechtsvorm, de statutaire naam, de handelsnaam, het adres met huisnummer, de postcode, de plaats van vestiging en het land van statutaire zetel
  • het registratienummer bij de Kamer van Koophandel en de wijze waarop de identiteit is geverifieerd, wanneer de vennootschap of andere juridische entiteit bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd.

Trusts of andere juridische constructies

  • het doel en de aard van de trust of andere juridische constructie
  • het recht waardoor de trust of andere juridische constructie wordt beheerst.
Stuur deze vraag door

Wat houdt de meldplicht in?

Een onderneming moet beleid, procedures en maatregelen hebben die haar in staat stellen om ongebruikelijke transacties te herkennen en deze ongebruikelijke transacties te melden bij FIU-Nederland. De meldprocedure staat toegelicht op de website van FIU-Nederland onder ‘instellingen’.

Een melding aan FIU-Nederland van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie moet op grond van artikel 16 Wwft onverwijld plaatsvinden, nadat het ongebruikelijke karakter van die transactie bekend is geworden.

Stuur deze vraag door

Wat zijn de indicatoren op basis waarvan gemeld moet worden?

In de bijlage bij artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 staat de lijst met indicatoren op grond waarvan gemeld moet worden. De indicatorenlijst onderscheidt objectieve en subjectieve indicatoren:

Objectieve indicator

Transacties van of ten behoeve van een (rechts)persoon die woonachtig of gevestigd is of zijn zetel heeft in een staat die op grond van artikel 9 van de vierde anti-witwasrichtlijn in gedelegeerde handelingen van de Europese Commissie is aangewezen als een staat met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme.  

Subjectieve indicator

Transacties waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme. In de leidraad staan voorbeelden van omstandigheden die kunnen duiden op een ongebruikelijke transactie.

Het ligt in de rede dat transacties die in verband met witwassen of financieren van terrorisme aan politie of Openbaar Ministerie worden gemeld, ook aan de FIU-Nederland worden gemeld; er is immers de veronderstelling dat deze transacties verband kunnen houden met witwassen of financieren van terrorisme.

Een verrichte ongebruikelijke transactie kan ook als ‘incident’ in de zin van artikel 1 BGfo kwalificeren. Het is aan de instelling om een inschatting te maken of de ongebruikelijke transactie als incident kwalificeert. Beheerders van beleggingsinstellingen voor zover zij rechten van deelneming aan niet-professionele beleggers aanbieden, (beheerders en bewaarders van) icbe’s, pensioenbewaarders, beleggingsondernemingen en financiëledienstverleners zijn verplicht om incidenten onverwijld bij de AFM te melden.

 

Stuur deze vraag door

Wat houdt geheimhouding (tipping off-verbod) in?

Een onderneming die een melding van een ongebruikelijke transactie heeft gedaan of nadere informatie heeft verstrekt aan FIU-Nederland, is op grond van artikel 23 Wwft verplicht tot geheimhouding hiervan, alsmede van het gegeven dat dit aanleiding kan geven tot nader onderzoek.

De geheimhouding is niet van toepassing als uit de Wwft voortvloeit dat bekendmaking noodzakelijk is.

Stuur deze vraag door

Is het op grond van de Wwft verplicht een compliance- en auditfunctie in te richten?

Artikel 2d Wwft verplicht instellingen om te voorzien in de invulling van een onafhankelijke en effectieve compliancefunctie en onafhankelijke auditfunctie, voor zover dit evenredig is aan de aard en de omvang van de instelling. Bij ‘aard en omvang’ gaat het om een combinatie van factoren, dus niet alleen de grootte van de instelling naar aantal medewerkers, maar ook bijvoorbeeld naar beheerd vermogen, aantal klanten, aantal buitenlandse of risicovolle klanten en soorten producten.

Een beleggingsonderneming met twee medewerkers maar met slechts zeer risicovolle buitenlandse cliënten moet bijvoorbeeld een compliancefunctie inrichten, terwijl dat voor eenzelfde beleggingsonderneming met alleen Nederlandse laagrisicocliënten niet voor de hand ligt.

Stuur deze vraag door

Wat houdt vrijwaring inzake de meldplicht in?

Een onderneming die in het kader van de meldplicht tot een melding van een ongebruikelijke transactie is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt. Tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

Om voor een strafrechtelijke vrijwaring van een gemelde transactie als bedoeld in artikel 19 Wwft in aanmerking te komen, is expliciet de voorwaarde dat een melding te goeder trouw is verricht. Daarmee is bedoeld dat de onderneming niet zelf bewust heeft meegewerkt aan de desbetreffende feiten.

In de context van de civielrechtelijke vrijwaring als bedoeld in artikel 20 Wwft is de voorwaarde opgenomen dat gehandeld is in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de verplichting tot het (onverwijld) melden van ongebruikelijke transacties.

Stuur deze vraag door

Wat houdt het opleidingsvereiste in?

Een onderneming moet op grond van artikel 35 Wwft ervoor zorgen dat haar medewerkers en dagelijks beleidsbepalers, voor zover relevant voor de uitoefening van hun taken, bekend zijn met de bepalingen van de Wwft en in staat zijn een ongebruikelijke transactie te herkennen. Opleidingen dienen op periodieke basis te worden gevolgd. Bij de opleidingen kan de instelling rekening houden met de risico’s, aard en omvang van de instelling.

Stuur deze vraag door