Terug

Op welke wijze dient een beleggingsonderneming invulling te geven aan de beoordeling van de passendheid?

Uit artikel 4:24, eerste lid, van de Wft blijkt duidelijk een inspanningsverplichting voor de beleggingsonderneming met betrekking tot een andere dienst dan het adviseren en het beheren van een individueel vermogen (zoals execution-only dienstverlening) in complexe financiële instrumenten om:

(1) informatie in te winnen over de kennis en ervaring van de cliënt met betrekking tot een financiële dienst of een financieel product; en (2) vast te stellen of een aangeboden dienst of product passend is voor de cliënt.

Pas als de cliënt geen of onvoldoende informatie verstrekt, kan de beleggingsonderneming volstaan met een standaard waarschuwing dat zij niet heeft kunnen vaststellen of een aangeboden product of dienst passend is voor de cliënt.

De MiFID maakt een onderscheid tussen complexe en niet-complexe instrumenten. Ten aanzien van ‘execution-only’ dienstverlening in niet-complexe financiële instrumenten hoeft de beleggingsonderneming op grond van artikel 4:24, vierde lid, van de Wft geen informatie in te winnen over de kennis en ervaring van de klant indien:

(a) het niet-complexe financiële instrumenten betreffen (zijnde tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten aandelen, geldmarktinstrumenten, obligaties of andere schuldinstrumenten, die geen afgeleid instrument behelzen, rechten van deelneming in een icbe's); (b) de dienst wordt verricht op initiatief van de cliënt;(c) de cliënt is gewezen op het feit dat de beleggingsonderneming niet verplicht is om de geschiktheid te beoordelen; en(d) de beleggingsonderneming haar verplichtingen ten aanzien van belangenconflicten nakomt.

Verder geeft artikel 80b, derde lid, Bgfo aan dat van een cliënt die vóór 1 november 2007 een reeks handelstransacties in een bepaald soort product of dienst heeft verricht, mag worden aangenomen dat deze over de nodige kennis en ervaring beschikt om te begrijpen welke risico's verbonden zijn aan dit product of deze beleggingsdienst.

Uit deze bepaling kan eveneens worden afgeleid dat een beleggingsonderneming elke transactie afzonderlijk niet opnieuw hoeft te toetsen. De beleggingsonderneming kan derhalve volstaan met het toetsen van de passendheid van een aangeboden dienst of product vóór het begin van de dienstverlening bij nieuwe cliënten dan wel vóór de datum van toepassing van de MiFID bij bestaande cliënten.

Het is uiteindelijk aan de beleggingsonderneming om te bepalen op welke wijze bovenstaande regels, gegeven de randvoorwaarden, het beste in haar systemen kunnen worden geïmplementeerd dan wel op andere wijze kunnen worden vormgegeven, zolang zij maar tenminste voldoet aan de verplichting om voor 'execution-only' dienstverlening in complexe financiële instrumenten informatie in te winnen over de kennis en ervaring van de cliënt (voor zover niet reeds beschikbaar), op basis waarvan zij kan beoordelen of een bepaald product / instrument passend is voor de cliënt en in het geval van niet-passendheid de cliënt dienovereenkomstig kan waarschuwen. Deze waarschuwing mag in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.

In dit kader wijst de AFM tevens op artikel 80c, tweede lid van het Bgfo die bepaalt dat een beleggingsonderneming een cliënt niet mag aanmoedigen om de voor de toepassing van artikel 24, eerste lid van de Wft benodigde informatie niet te verstrekken.



Naar alle veelgestelde vragen