Terug

MiFID - Best execution

Veelgestelde vragen voor MiFID - Best execution

Beleggingsondernemingen dienen in het orderuitvoeringsbeleid voor elke klasse van financiële instrumenten informatie te verstrekken over de verschillende plaatsen van uitvoering. Op welke wijze dient de beleggingsonderneming deze informatie aan cliënten te verstrekken?

Inhoud orderuitvoeringsbeleid
Artikel 4:90b, tweede lid, van de Wft bepaalt dat in het orderuitvoeringsbeleid voor elke klasse van financiële instrumenten informatie moet staan over de verschillende plaatsen waar de beleggingsonderneming de orders van haar cliënten uitvoert. Het orderuitvoeringsbeleid omvat ten minste die plaatsen van uitvoering die de beleggingsonderneming in staat stellen om consistent het best mogelijke resultaat te behalen voor de uitvoering van de orders van haar cliënten (best execution). Daarnaast moet het orderuitvoeringsbeleid informatie geven over de factoren die de keuze van de plaats van uitvoering beïnvloeden.

Overweging 66 van de uitvoeringsrichtlijn MiFID* geeft aan dat op grond van de best execution verplichting een beleggingsonderneming niet mag worden verplicht om in haar orderuitvoeringsbeleid alle beschikbare plaatsen van uitvoering op te nemen.

De Committee of European Securities Regulators (CESR) leidt uit artikel 21, derde lid van de MiFID** af dat beleggingsonderneming bepaalde plaatsen van uitvoering in hun orderuitvoeringsbeleid dienen op te nemen. Dit betekent niet dat in het orderuitvoeringsbeleid andere plaatsen van uitvoering die door de beleggingsonderneming worden gebruikt kunnen worden weggelaten. De beleggingsonderneming mag echter in uitzonderlijke omstandigheden plaatsen van uitvoering gebruiken die niet zijn opgenomen in haar orderuitvoeringsbeleid. Bijvoorbeeld op tijdelijke basis of om tegemoet te komen aan het verzoek van een cliënt om te handelen in een ongebruikelijk financieel instrument, met de bedoeling om de best execution verplichting na te komen***.

Informatieverstrekking aan cliënten
De beleggingsonderneming dient geruime tijd voor de verrichting van de dienst informatie over het orderuitvoeringsbeleid aan niet-professionele cliënten te verstrekken. Deze informatie moet onder meer bestaan uit een overzicht van de plaatsen van uitvoering die de beleggingsonderneming in staat stellen om consistent het best mogelijke resultaat voor de uitvoering van orders van cliënten te behalen alsmede de factoren die de keuze van de plaats van uitvoering beïnvloeden (artikel 59a Bgfo). 


* Uitvoeringsrichtlijn nr. 2006/73/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europese Parlement en de Raad
** Richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten in financiële instrumenten.
*** Q & A on best execution, referentie 07-320 van 29 mei 2007. ‘CESR understands this provision to mean that firms should include certain venues in their policy, not that the policy can omit other venues used by the firm. A firm may however in exceptional circumstances use venues not listed in its policy, for example on a provisional basis or to accommodate a client request to trade in an unusual instrument, with a view to satisfying the overarching best execution requirement.’

Directe link: http://www.cesr.eu/index.php?docid=4606

Stuur deze vraag door

Op welke wijze dient een beleggingsonderneming invulling te geven aan de begrippen instemming en toestemming?

In artikel 4:90b, vierde en vijfde lid, van de Wft is bepaald dat (a) met de uitvoering van een order met betrekking tot een financieel instrument pas een begin wordt gemaakt na instemming van de cliënt met het orderuitvoeringsbeleid en (b) met de uitvoering van een order met betrekking tot een financieel instrument anders dan op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit pas een begin wordt gemaakt na toestemming van de cliënt.

Uit de memorie van toelichting bij artikel 4:90b, vierde en vijfde lid, van de Wft blijkt dat onder toestemming van de cliënt dient te worden verstaan elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting van een cliënt waarmee deze iets aanvaardt. Deze toestemming moet uitdrukkelijk blijken, daartoe dient de toestemming in een algemene overeenkomst te worden vastgelegd of separaat van een algemene overeenkomst te worden gegeven. In artikel 21, derde lid, derde alinea, laatste volzin, van de MiFID* is een vergelijkbare bepaling opgenomen waaruit blijkt dat toestemming hetzij in de vorm van een algemene overeenkomst, hetzij met betrekking tot afzonderlijke transacties kan worden verkregen.

De memorie van toelichting geeft verder aan dat instemming van de cliënt ook kan worden verkregen door het stilzwijgen van een cliënt wanneer deze het orderuitvoeringsbeleid wordt verstrekt. In de MiFID wordt namelijk niet gesproken over een uitdrukkelijke wilsuiting of een bepaalde wijze waarop de instemming tot uitdrukking moet worden gebracht.

De AFM zal niet voorschrijven op welke wijze invulling kan worden gegeven aan de uitdrukkelijke toestemming. Wel is de AFM van oordeel dat de toestemming als bedoeld in artikel 4:90b Wft impliceert dat een duidelijke en expliciete handeling moet plaatsvinden door de cliënt welke geïnitieerd is door de beleggingsonderneming.** Dit blijkt ook uit de overwegingen van CESR waarbij bij toestemming verwezen wordt naar een actieve handeling door de cliënt. CESR geeft aan dat in de volgende gevallen sprake is van uitdrukkelijke toestemming : (i) handtekening op schrift of een elektronische handtekening, (ii) door een klik op een webpagina, (iii) mondeling via de telefoon of in persoon. In alle gevallen dient de beleggingsonderneming te kunnen aantonen dat toestemming is verleend.***

In ieder geval is het enkel inleggen van een order door een cliënt niet voldoende om te voldoen aan de bovenbedoelde toestemmingsvereiste. Na het inleggen van de order dient derhalve actie te worden ondernomen door de beleggingsonderneming waarop de cliënt een handeling moet verrichten c.q. uitdrukkelijk toestemming moet geven.

De beleggingsonderneming is niet gehouden voor de uitvoering van elke separate order een (hernieuwde) instemming of toestemming te verkrijgen. Dit betekent dat de beleggingsonderneming dus vrij is om bijvoorbeeld voorafgaand aan het geven van de mogelijkheid tot het inleggen van orders de cliënt te vragen in te stemmen met het orderuitvoeringsbeleid in verband met alle nog in te leggen orders of toestemming te verlenen in verband met een mogelijke afwikkeling buiten een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit van alle nog in te leggen orders die hiervoor in aanmerking zouden komen.

Wanneer echter nog niet is ingestemd met het orderuitvoeringsbeleid of toestemming is verleend voor een afwikkeling van orders buiten een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit dient een ingelegde order te worden aangehouden tot het moment waarop de cliënt alsnog instemt of de toestemming verleent.

In het geval dat het orderuitvoeringsbeleid of de orderuitvoeringsregelingen van een beleggingsonderneming wezenlijk wijzigen, dient de beleggingsonderneming op grond van artikel 4:90b, achtste lid, van de Wft, haar cliënten kennis te geven van deze wezenlijke wijzigingen. Uit de memorie van toelichting op dit artikel blijkt dat het voldoende is de cliënten hiervan op de hoogte te stellen. Cliënten hoeven hier dus niet mee in te stemmen. Het is de beleggingsonderneming daarbij bijvoorbeeld toegestaan wezenlijke wijzigingen in haar orderuitvoeringsbeleid (alleen) op haar website kenbaar te maken, mits gewaarborgd is dat cliënten hiervan kennis zullen nemen. 


* Richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten in financiële instrumenten.
** Als op initiatief van de cliënt een order wordt doorgegeven dan gaat de AFM er van uit dat er sprake is van een specifieke instructie als bedoeld in artikel 4:90a, eerste lid, Wft.
*** Best Execution under MiFID – Questions & Answers, CESR, Ref:CESR/07-320.

Stuur deze vraag door

Orders in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen worden regelmatig rechtstreeks bij de beleggingsinstelling geplaatst. Welke plaats van uitvoering dient de beleggingsonderneming in dit geval in het orderuitvoeringsbeleid op te nemen?

De verplichting om bij de uitvoering van orders van cliënten het best mogelijke resultaat te behalen, geldt voor alle soorten financiële instrumenten (overweging 70 uitvoeringsrichtlijn MiFID*), dus ook voor orders in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen die rechtstreeks bij een beleggingsinstelling worden geplaatst.

De Europese Commissie heeft in haar rubriek ‘Your questions on MiFID’ aangegeven dat de beheerders van een beleggingsinstelling beschouwd dienen te worden als plaatsen van uitvoering (liquiditeitsverschaffers) voor de toepassing van artikel 44, eerste lid, uitvoeringsrichtlijn MiFID.

Beheerders van een beleggingsinstelling verrichten niet de beleggingsdienst van het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten. Alhoewel beleggingsinstellingen wel zijn betrokken bij de totstandkoming van transacties in financiële instrumenten, bestaande uit de inkoop of verkoop van rechten van deelneming in beleggingsinstellingen en andere administratieve taken, vallen deze activiteiten niet onder de reikwijdte van de MiFID**.  


* Uitvoeringsrichtlijn nr. 2006/73/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europese Parlement en de Raad.
** Your questions on MiFID.‘UCITS management companies should be considered execution venues (liquidity providers) for the purposes of Article 44(1) of the MiFID implementing Directive.
UCITS management companies or fund managers cannot be providing the investment service of order-execution. They are engaged in the finalisation of the transaction which comprises the subscription or redemption of the units and other administrative tasks, but those activities are not subject to MiFID.’

Directe link: ec.europa.eu

Stuur deze vraag door

Geldt de verplichting om bij de uitvoering van orders van cliënten het best mogelijke resultaat te behalen ook voor OTC-instrumenten?

Artikel 4:90b, eerste en tweede lid, van de Wft bepalen dat de verplichting om bij de uitvoering van orders van cliënten het best mogelijke resultaat te behalen door de beleggingsonderneming moet worden vastgelegd in een orderuitvoeringsbeleid. Het orderuitvoeringsbeleid omvat vervolgens voor elke klasse van financiële instrumenten informatie over de plaatsen van uitvoering en de factoren die de keuze van de plaats van uitvoering beïnvloeden.

Voorts worden financiële instrumenten gedefinieerd in artikel 1:1 van de Wft, hieronder vallen ook OTC-instrumenten.

Overweging 70 uitvoeringsrichtlijn MiFID* stelt dat de verplichting om bij de uitvoering van orders van cliënten het best mogelijke resultaat te behalen voor alle soorten financiële instrumenten geldt, dus ook voor OTC-instrumenten. Als nadere uitwerking wordt gegeven dat het gezien de onderling uiteenlopende structuren van markten en financiële instrumenten wel moeilijkheden kan opleveren om voor een optimale uitvoering een uniforme, voor alle categorieën instrumenten geldende, effectieve standaard en procedure vast te stellen. Daarom moeten de voorschriften voor een optimale uitvoering zodanig worden toegepast dat rekening wordt gehouden met het feit dat de omstandigheden per soort financieel instrument waarvoor een order wordt uitgevoerd, verschillen. Zo zijn transacties in een financieel OTC-instrument op maat in het kader van een bijzondere contractuele relatie die op de situatie van de cliënt en de beleggingsonderneming toegesneden is, vanuit het oogpunt van optimale uitvoering wellicht niet vergelijkbaar met transacties in aandelen die op gecentraliseerde plaatsen van uitvoering worden verhandeld.

In dit kader verwijst de AFM eveneens naar antwoord 7.3 alsmede de bijlage – European Commission response to CESR questions on scope van de CESR Q & A Best Execution under MiFID van eind mei 2007**. In deze bijlage wordt antwoord gegeven op de vraag of de best execution verplichtingen gelden voor ondernemingen die handelbare quotes afgeven en vervolgens handelen op deze prijzen.In haar reactie geeft de Europese Commissie aan dat bij de interpretatie van artikel 21 van de MiFID*** de aandacht moet zijn gericht op ‘het uitvoeren van orders voor hun cliënten’. Overweging 33 van de MiFID geeft een uitleg van het concept van het uitvoeren van orders voor rekening van cliënten, door aan te geven dat de best execution verplichting moet gelden voor de onderneming die contractuele verplichtingen of een zorplicht jegens de cliënt heeft. De Europese Commissie geeft voorts voorbeelden van situaties, waarin een beleggingsonderneming orders uitvoert voor rekening van cliënten en derhalve de best execution verplichting van toepassing is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het uitvoeren van een cliëntenorder voor rekening van cliënten of het uitvoeren van een cliëntenorder tegen de eigen positie (voor eigen rekening, waaronder systematische internaliseren), waarbij de onderneming de beslissing neemt hoe de order wordt uitgevoerd. Daarnaast worden voorbeelden gegeven van transacties, waarbij een beleggingsonderneming in het algemeen geen orders uitvoert voor rekening van cliënten en derhalve geen best execution verplichting heeft jegens de cliënt.  


* Uitvoeringsrichtlijn nr. 2006/73/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europese Parlement en de Raad.
** Q & A on best execution, referentie 07-320 van 29 mei 2007.
*** Richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten in financiële instrumenten

Stuur deze vraag door

In hoeverre zijn er best execution bepalingen van toepassing op beleggingsondernemingen die zelf geen orders uitvoeren, maar deze doorgeven aan en laten uitvoeren door andere partijen / derden?

Artikel 4:90c, eerste lid, van de Wft schrijft voor dat een beleggingsonderneming alle redelijke maatregelen in acht dient te nemen om voor haar cliënten het best mogelijke resultaat te behalen bij het (a) bij derden plaatsen van orders met betrekking tot financiële instrumenten ter uitvoering van beslissingen in verband met het beheren van individueel vermogen en (b) ter uitvoering doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten aan derden.

Deze bepalingen zullen onder andere van toepassing zijn op beleggingsondernemingen die veelal (zelfstandige) vermogensbeheerder of orderremisier worden genoemd. Artikel 4:90c zal echter ook van toepassing zijn op beleggingsondernemingen die ‘normaal gesproken’ zelf orders uitvoeren, maar voor de uitvoering van orders in bepaalde financiële instrumenten gebruik maken van andere partijen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een beleggingsonderneming die voor de uitvoering van orders in op de beurs van New York genoteerde financiële instrumenten gebruik maakt van een in de Verenigde Staten gevestigde broker.

De betreffende beleggingsondernemingen dienen een beleid op te stellen en te implementeren waarin tot uitdrukking wordt gebracht hoe zij verwachten tot het best mogelijke resultaat van de cliënt te komen. Hierbij dient men rekening te houden met de factoren als bedoeld in artikel 4:90a, eerste lid, alsmede de criteria als bedoeld in artikel 4:90a, tweede en derde lid van de Wft. Het beleid zal met name betrekking moeten hebben op de selectie (en het volgen) van partijen ten behoeve van het zo optimaal mogelijk uitvoeren van orders. Hierbij dient de beleggingsonderneming aannemelijk te maken dat de derde partijen die de orders uitvoeren over een orderuitvoeringsregeling beschikken die hen in staat stelt conform het bepaalde in artikel 4:90a, eerste tot en met derde lid, van de Wft, het best mogelijke resultaat te behalen.

Cliënten van de beleggingsonderneming dienen geïnformeerd te worden over het hiervoor genoemde beleid waarbij aan cliënten in ieder geval moet worden vermeld aan welke derde partijen orders ter uitvoering worden doorgegeven. Daarnaast moet uit de informatie blijken waarom de beleggingsonderneming meent dat het behalen van het best mogelijke resultaat gewaarborgd is. Beleggingsonderneming dienen tenslotte de uitvoeringskwaliteit door de uitvoerende partij te monitoren en tenminste jaarlijks te evalueren.

Voor nadere informatie verwijst de AFM u naar artikel 4:90c van de Wft alsmede de toelichting op dit artikel. Tevens verwijst de AFM u naar Question 22 van de Q&A van CESR ‘Best execution under MiFID’ van mei 2007*. 

Stuur deze vraag door

Is een beleggingsonderneming verplicht om over een orderroutingsysteem te beschikken om het best mogelijke resultaat voor een cliënt te behalen?

Artikel 4:90b, eerste lid, van de Wft schrijft voor dat beleggingsondernemingen een beleid inzake orderuitvoering vaststellen en toepassen, dat hen in staat stelt om bij de uitvoering van orders van hun cliënten consistent het best mogelijke resultaat te behalen (best execution).

De MiFID verplicht beleggingsondernemingen in principe niet om over een orderroutingsysteem te beschikken. Wel zal het onder de MiFID, afhankelijk van de omvang en de soort van de orders in financiële instrumenten die de beleggingsonderneming uitvoert, alsmede van de mate van ontwikkeling van nieuwe (alternatieve) plaatsen van uitvoering, efficiënt kunnen zijn voor een beleggingsonderneming om gebruik te maken van een orderroutingssyteem om best execution voor de cliënt te waarborgen.

CESR geeft eveneens aan dat een beleggingsonderneming bij de uitvoering van iedere order het orderuitvoeringsbeleid moet toepassen met de bedoeling consistent het best mogelijk resultaat voor cliënten te behalen. Dit betekent niet dat een beleggingsonderneming  verplicht is om voor elke individuele order het best mogelijke resultaat te behalen*. 


* Q & A on best execution, referentie 07-320 van 29 mei 2007.3.3: ‘In order to comply with the overarching best execution requirement, firms should ensure that appropriate (execution) policies and/or arrangements are effectively implemented for the carrying out of all orders. Firms however are not under an obligation to obtain the best possible result for each individual order; rather they should apply their (execution) policies to each order with a view to obtaining the best possible result in accordance with the (execution) policy.

Stuur deze vraag door

Welke best execution verplichting rust op een broker ten opzichte van de cliënten, van de bij haar aangesloten orderremisiers of vermogensbeheerders, voor wie zij tevens depotbank is?

Best execution vereist dat een beleggingsonderneming alle redelijke maatregelen neemt om het best mogelijke resultaat voor haar cliënt te behalen bij het uitvoeren van orders. Deze verplichting is vastgelegd in de artikelen 4:90a en 4:90b van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

De artikel 4:90a en 4:90b van de Wft zijn niet van toepassing op orders die ter uitvoering worden doorgegeven aan een derde. De derde die de order uitvoert, doet dat voor de beleggingsonderneming die de order doorgeeft en niet voor de (achterliggende) cliënt. In dat geval rust de best execution verplichting aan de cliënt op de beleggingsonderneming die de order doorgeeft; niet op de derde die de order uitvoert.

Deze zogeheten overkoepelende best execution verplichting bij het doorgeven van orders is vastgelegd in artikel 4:90c van de Wft. De vermogensbeheerder of orderremisier die een order voor uitvoering aan een derde doorgeeft, moet bij het doorsturen van die order waarborgen dat de uitvoering plaatsvindt overeenkomstig de best execution verplichting.

Artikel 4:90c is ook van toepassing op gevallen waarin een vermogensbeheerder of orderremisier de orders van een cliënt doorstuurt naar een instelling die zowel zorgdraagt voor de uitvoering van orders voor die cliënt, alsmede voor het afwikkelen van de transacties en het bewaren van de stukken van die cliënt. De verschillende rollen van die instelling moeten hierbij los van elkaar worden gezien. Als depotbank heeft zij voor het afwikkelen van transacties en het bewaren van stukken een relatie met de cliënt. Als broker heeft zij voor het uitvoeren van orders een relatie met de vermogensbeheerder of orderremisier (van diezelfde cliënt). De instelling heeft alleen een best execution verplichting jegens de vermogensbeheerder of orderremisier.

De vermogensbeheerder of orderremisier dient er vanwege zijn overkoepelende best execution verplichting voor te zorgen dat hij het best mogelijke resultaat voor zijn cliënt behaalt. Bij een niet-professionele cliënt dient hij bij het doorgeven van de order zorg te dragen voor de beste totale tegenprestatie, die wordt bepaald op basis van de prijs van het financiële instrument en de uitvoeringskosten.

Omdat de vermogensbeheerder of orderremisier zelf in veel gevallen een in aanmerking komende tegenpartij is, moet hij erop toezien dat de hem geboden best execution ook het beste resultaat voor zijn cliënt betekent. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt door contractuele afspraken met de orderuitvoerder(s), maar ook door te opteren voor een hoger beschermingsniveau als professionele of niet-professionele belegger.

Stuur deze vraag door

Kan een beleggingsonderneming volstaan met cliënten te verwijzen naar een kantoor of het call center voor informatie over de plaatsen van uitvoering in haar orderuitvoeringsbeleid?

Nee, een beleggingsonderneming die voor rekening van cliënten orders met betrekking tot financiële instrumenten uitvoert heeft een actieve plicht om schriftelijk of op een andere duurzame drager dan wel via een website een overzicht van de plaatsen van uitvoering aan cliënten te verstrekken.
 
Achtergrond
Artikel 4:90b, derde lid, van de Wft bepaalt dat een beleggingsonderneming haar cliënten deugdelijke informatie verstrekt over haar orderuitvoeringsbeleid. [...]

Artikel 49a, eerste lid, van het Bgfo vereist dat een beleggingsonderneming aan haar cliënt schriftelijk informatie verstrekt over onder meer het orderuitvoeringsbeleid en wezenlijke wijzigingen in het orderuitvoeringsbeleid. De beleggingsonderneming kan na toestemming van de cliënt, de informatie op een duurzame drager verstrekken, indien dat past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet.

Artikel 49a, tweed lid, van het Bgfo bepaalt dat een beleggingsonderneming, na toestemming van de cliënt, de op grond van onder meer artikel 59 te verschaffen informatie die niet persoonlijk tot de cliënt is gericht via haar website kan verstrekken, indien:

  1. het gebruik van de website past in de context waarin zij met de cliënt zaken doet;
  2. de cliënt elektronisch op de hoogte wordt gesteld van het adres van de website en de plaats op de website waar de informatie kan worden verkregen;
  3. de informatie actueel is en, zolang dat vor de cliënt van belang is, op de website toegankelijk blijft.

Artikel 59 van het Bgfo bepaalt dat een beleggingsonderneming een niet-professionele belegger voorafgaand aan het uitvoeren van een order met betrekking tot een financieel instrument voor diens rekening de volgende informatie verstrekt over haar orderuitvoeringsbeleid:

  1. een uitleg over het relatieve gewicht dat de beleggingsonderneming overeenkomstig artikel 4:90a, tweede lid, van de wet toekent aan de in artikel 4:90a, eerste lid, van de wet genoemde factoren, of over de wijze waarop zij het relatieve gewicht van deze factoren bepaalt;  
  2. een overzicht van de plaatsen van uitvoering waarop de beleggingsonderneming een aanzienlijk beroep doet om haar verplichting na te komen om alle redelijke maatregelen te nemen teneinde bij de uitvoering van orders van cliënten steeds het best mogelijke resultaat te behalen;
  3. een duidelijke waarschuwing dat een specifieke instructie van de cliënt de beleggingsonderneming kan beletten de door haar vastgestelde en in haar orderuitvoeringsbeleid opgenomen maatregelen te nemen om bij de uitvoering van de desbetreffende order het best mogelijke resultaat te behalen voor de elementen waarvoor deze instructie geldt.

Dit betekent dat een beleggingsonderneming een overzicht van de plaatsen van uitvoering of wel schriftelijk of op een andere duurzame drager (artikel 49a, eerste lid, Bgfo) dan wel via een website die niet als duurzame drager kwalificeert (artikel 49a, tweede lid, Bgfo) dient te verstrekken. 

Onder een duurzame drager dient op grond van artikel 1:1 van de Wft te worden verstaan: ieder hulpmiddel dat de consument of cliënt in staat stelt persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt. Hierbij moet volgens overweging 20 bij de richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten vooral worden gedacht aan computerdiskettes, cd-roms en de harde schijf van de computer (voor de opslag van elektronische boodschappen). De computerdiskettes of cd-roms moeten aan de consument of cliënt worden toegestuurd. Het gegeven dat de harde schijf van een computer (voor de opslag van elektronische boodschappen) eveneens als duurzame drager wordt beschouwd heeft tot gevolg dat de leverancier de  voorgeschreven informatie ook per elektronische post kan toesturen aan de consument of cliënt. Dit opdat de consument of cliënt het elektronische bericht kan opslaan op de harde schijf van zijn computer. Of de consument of cliënt het elektronische bericht na ontvangst daadwerkelijk opslaat op de harde schijf, komt overigens niet voor risico van de financiële onderneming.

Internetsites worden in beginsel niet als duurzame drager beschouwd, tenzij deze voldoen aan bovengenoemde in de definitie van duurzame drager opgenomen criteria.

Stuur deze vraag door