Terug

Flitskrediet - informatie voor aanbieders van flitskrediet

De Richtlijn Consumentenkrediet (2008/48/EG) is op 1 juni 2011 in de Wet op het financieel toezicht (Wft) geïmplementeerd. Met de implementatie van de Richtlijn vallen alle consumentenkredieten onder financieel toezicht, ongeacht hun looptijd.

Flitskredieten vallen ook onder de maximum kredietvergoeding. Dit betekent dat er jaarlijks een maximaal vergoedingspercentage aan de consument mag worden gevraagd. Sinds 1 januari 2015 dit 14%. Naast rente vallen ook alle andere kosten onder dit percentage.

Deze wetswijziging heeft belangrijke gevolgen voor aanbieders en bemiddelaars van minileningen. De AFM wijst deze aanbieders en bemiddelaars erop dat zij zelf verantwoordelijk zijn om op tijd te voldoen aan alle wettelijke eisen.

Wijzigingen

Hieronder vindt u een deel van de wijzigingen waaraan vanaf de implementatie van de richtlijn moet worden voldaan. Dit is geen compleet overzicht, maar geeft een aantal opvallende wijzigingen weer.

Vergunningplicht

Op basis van artikel 2:60 van de Wft dient een onderneming die krediet aanbiedt te beschikken over een vergunning. In artikel 1:20 van de Wft worden nu een aantal financiële diensten met betrekking tot krediet genoemd waarop de Wft niet van toepassing is (artikel 1:20, eerste lid, onder f). Dit artikel wordt gewijzigd en komt te luiden: “financiële diensten met betrekking tot krediet dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en terzake waarvan slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht”. Deze voorgestelde uitzondering vervangt deels de bestaande uitzondering voor krediet dat binnen drie maanden moet zijn afgelost.

Het criterium ‘tegen onbetekenende kosten’ heeft tot gevolg dat regulier krediet met een looptijd tot drie maanden, waarvoor rente en kosten in rekening wordt gebracht, niet onder de uitzondering valt. Dit betekent dat ondernemingen die activiteiten verrichten die tot de implementatie van deze richtlijn niet onder de wet vielen, vanaf de implementatiedatum vergunningplichtig kunnen zijn. Indien een onderneming vanaf de implementatiedatum vergunningplichtige activiteiten verricht, dient deze onderneming te beschikken over een vergunning op basis van artikel 2:60 van de Wft.

De AFM heeft een termijn van 13 weken om te beslissen op de vergunningaanvraag.

Zorgplicht

Een belangrijk aspect waar kredietaanbieders zorgvuldig mee om dienen te gaan is het voorkomen van overkreditering. Het verbod op overkreditering is vastgelegd in artikel 4:34 van de Wft. De brancheorganisatie VFN heeft deze open wettelijke norm verder uitgewerkt in haar gedragscode. De AFM ziet de normen zoals die zijn opgenomen in deze gedragscode als een minimale invulling van de open wettelijke norm ter voorkoming van overkreditering. De AFM gaat ervan uit dat ook aanbieders en bemiddelaars van minileningen zich vanaf 1 juni 2011 minimaal aan deze invulling van de open wettelijke norm houden.

Transparante informatieverstrekking

De regels voor informatieverstrekking over kredieten zijn onder andere vastgelegd in artikel 53 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo). Na de implementatie zullen enkele onderdelen van artikel 53 BGfo inhoudelijk wijzigen. Er zijn ook onderdelen die niet wijzigen. Wanneer een onderneming onder de Wft gaat opereren verwacht de AFM dat vanaf 1 juni 2011 in ieder geval per direct aan de onderdelen uit het BGfo wordt voldaan die niet inhoudelijk gewijzigd zijn.

Wet handhaving consumentenbescherming

Op 1 januari 2007 is de Wet handhaving consumentenbescherming in werking getreden. Op basis van deze wet heeft de AFM de bevoegdheid om toezicht te houden op de naleving van consumentenregels. Deze regels gelden ook voor uw onderneming. Eén van die regels betreft de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wet OHP) en is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (BW). In het kort komt deze wet er op neer dat uw onderneming geen oneerlijke handelspraktijk mag verrichten. Dit betekent onder meer dat uw onderneming moet voorkomen dat zij misleidende informatie verstrekt. Om te voorkomen dat consumenten misleid worden dient uw onderneming in reclame-uitingen essentiële informatie op te nemen. Deze informatie moet de consument in staat stellen op een zorgvuldige wijze tot het besluit te komen een krediet af te sluiten. Het ontbreken van deze informatie leidt er toe dat sprake is van een zogenoemde misleidende omissie. Deze regel staat beschreven in artikel 6:193d, tweede lid, BW.

Artikel 6:193d, lid 2 BW

Een misleidende omissie is iedere handelspraktijk waarbij essentiële informatie welke de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, wordt weggelaten, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.

Bij essentiële informatie kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de kosten die consumenten in rekening worden gebracht in verband met het afsluiten van een krediet met een looptijd korter dan drie maanden. Ook verwijzen wij u naar artikel 6:193f sub f BW. Deze bepaling verwijst naar artikel 4:20 Wft. In onder meer dit artikel staan de regels voor informatieverstrekking over krediet, waar aanbieders die wél een Wft-vergunning hebben zich aan moeten houden. Op grond van de Wet oneerlijke handelspraktijken moet uw onderneming ook aan deze bepaling voldoen.

Meer informatie

Meer informatie over het aanvragen van een vergunning kunt u vinden op deze website. Heeft u daarna nog vragen, neem dan telefonisch contact op met het Ondernemersloket via telefoonnummer 0800-6800 680 (gratis).

Informatie delen

Delen via: deel
Alle onderwerpen