Terug

Beleggingsonderneming - Vergunning

Veelgestelde vragen voor Beleggingsonderneming - Vergunning

Mag je orderformulieren doorsturen zonder vergunning?

Het begrip order dient ruim te worden uitgelegd, namelijk als elk handelen voor een cliënt door een beleggingsonderneming dat er op gericht is om een overeenkomst tot stand te brengen die strekt tot verkoop of aankoop van een of meer financiële instrumenten voor rekening van die cliënt. Een schriftelijk formulier waarop cliënt aangeeft hoeveel financiële instrumenten en/of voor welk bedrag aan financiële instrumenten hij wil aan- of verkopen (een orderformulier), valt dus ook aan te merken als een order. Voor het doorsturen van  orderformulieren moet een vergunning worden aangevraagd als orderremisier. Voor zover de orders alleen deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen betreffen, is een registratie of vergunning voor het nationaal regime voldoende.

Meer informatie over nationaal regime

Stuur deze vraag door

Hoe lang duurt de behandeling van een vergunningaanvraag?

Wanneer u een vergunningaanvraag indient bij de AFM dan dient u rekening te houden met doorlooptijden. Dit is de termijn tussen het indienen van de aanvraag en het moment dat u daar van de AFM een besluit op ontvangt.

De AFM dient op grond van artikel 1:102, derde lid, Wft binnen dertien weken na ontvangst op een vergunningaanvraag te hebben beslist. Het besluit van de toezichthouder is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht ("Awb"). De bepalingen van titel 4.1 Awb zijn derhalve van toepassing. Dit betekent dat indien bij uw aanvraag stukken ontbreken of informatie ontbreekt, de beslistermijn wordt opgeschort op grond van artikel 4:5 Awb, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. De opschortingstermijn bedraagt naar AFM-standaard vier weken. De beslistermijn gaat weer lopen vanaf het moment van ontvangst van alle gevraagde stukken of informatie. In het geval dat de aanvraag niet of onvoldoende is aangevuld kan de AFM ingevolge artikel 4:5 Awb binnen vier weken besluiten de aanvraag buiten behandeling te stellen. Daarnaast kan de AFM ingeval zij de beschikking niet binnen de bij wet genoemde termijn kan geven,  een nieuwe beslistermijn stellen. Ingevolge artikel 4:14, eerste lid, Awb stelt de AFM u op de hoogte van een dergelijke verlenging en noemt zij daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. U krijgt zo duidelijkheid omtrent de termijn waarbinnen u een beslissing op uw vergunningaanvraag tegemoet kan zien. Mochten onvoorziene omstandigheden het onmogelijk maken om binnen de gestelde termijn te beslissen, dan stelt de AFM u op de hoogte. In het algemeen geldt hoe hoger de kwaliteit (zowel qua inhoud als qua volledigheid) van het ingediende dossier hoe korter de doorlooptijd.

Uiteraard kunt u wanneer u een aanvraag overweegt contact opnemen met de afdeling Toetreding om navraag te doen naar de te verwachte doorlooptijd, die uiteraard ook afhankelijk is van de drukte op deze afdeling. U kunt hiervoor het volgende telefoonnummer gebruiken: 020- 797 3719.

Stuur deze vraag door

Welke personen dienen te worden getoetst op betrouwbaarheid en geschiktheid?

In de artikelen 4:9 en 4:10 Wft is opgenomen welke personen aan de eisen over geschiktheid respectievelijk betrouwbaarheid moeten voldoen. De AFM zal deze eisen bij vergunningverlening en in doorlopend toezicht toetsen.

  1. Dagelijks beleidsbepalers worden getoetst op geschiktheid i.v.m. de bedrijfsvoering van een financiële onderneming;
  2. Beleidsbepalers (waaronder de dagelijks beleidsbepalers) en de personen die toezicht houden op het beleid van een onderneming (leden van de RvC/RvT) worden getoetst op betrouwbaarheid.

Ad 1. Onder dagelijks beleidsbepalers wordt in dit verband verstaan de personen die betrokken zijn bij de beleid- en besluitvorming gericht op het dagelijkse daadwerkelijke uitoefenen van het bedrijf van de financiële onderneming.

Ad 2. Op betrouwbaarheid worden zowel de beleidsbepalers als de personen die toezicht houden op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming getoetst. Bij deze laatste categorie dient gedacht te worden aan leden van de Raad van Commissarissen of leden van de Raad van Toezicht.

De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat door een toezichthouder (AFM of DNB) voor de toepassing van de Wft is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling. De betrouwbaarheid van een bepaalde persoon wordt dus in principe slechts eenmaal getoetst. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien de toezichthouder aanleiding heeft om te veronderstellen dat zich sinds de toetsing wijzigingen in de antecedenten hebben voorgedaan. Het staat de AFM vrij om zelf onderzoek te doen naar de antecedenten van een bepaalde persoon.

Stuur deze vraag door

Wat zijn de (belangrijkste) vergunningeisen?

Hieronder volgen de belangrijkste vergunningseisen voor een beleggingsonderneming. Deze vereisten zijn in deel 4 (Gedragstoezicht Financiële Ondernemingen) van de Wft neergelegd.

Geschiktheid (artikel 4:9 Wft)
Het dagelijks beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming, bewaarder of financiëledienstverlener dient te worden bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming. Voor personen die het dagelijks beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming en bewaarder bepalen is de geschiktheid uitgewerkt in de Beleidsregel Deskundigheid dagelijks beleidsbepalers artikel 4:9 Wft en 5:29 Wft.    

Betrouwbaarheid (artikel 4:10 Wft)
Het beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming, bewaarder of financiëledienstverlener dient bepaald of mede bepaald te worden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. De betrouwbaarheid van voorbedoelde personen staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van de wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling. De vereisten voor betrouwbaarheid zijn uitgewerkt in hoofdstuk 3 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Integere bedrijfsuitoefening (artikel 4:11 Wft)
Een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming of bewaarder dient een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van haar onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt. Hieronder wordt verstaan dat (i) belangenverstrengeling wordt tegengegaan; (ii) wordt tegengegaan dat de financiële onderneming of haar werknemers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten kunnen schaden; (iii) wordt tegengegaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten, kan worden geschaad; en (iv) wordt tegengegaan dat andere handelingen door de financiële onderneming of haar werknemers worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de financiële onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad.

Bedrijfsvoering en vestiging (artikel 4:39, 4:40, 4:83 en 4:84)
Het dagelijks beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming of bewaarder dient mede in verband met de continuïteit van de onderneming door tenminste twee natuurlijke personen worden bepaald. De personen die het dagelijks beleid van een beheerder of beleggingsmaatschappij met zetel in Nederland bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

Zeggenschapsstructuur (artikel 4:13 Wft)
Een beheerder, beleggingsmaatschappij, beleggingsonderneming, bewaarder of financiëledienstverlener dient niet verbonden te zijn met personen in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op die financiële onderneming.

Inrichting bedrijfsvoering (artikel 4:14 en 4:15 Wft)
Een beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming, bewaarder of een financiëledienstverlener dient de bedrijfsvoering zodanig in te richten dat deze een beheerste en integere uitoefening van haar onderscheidenlijk zijn bedrijf waarborgt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben onder andere betrekking op het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s en integriteit.

Stuur deze vraag door

Ben je vergunningplichtig voor het geven van beleggingsadvies?

Artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) geeft de volgende definitie van adviseren:

“het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanbevelen van een of meer specifieke financiële producten aan een bepaalde consument of, indien het een financieel instrument of verzekering betreft, cliënt”

Op grond van artikel 2:96 Wft is het verboden zonder vergunning beleggingsdiensten te verlenen. Artikel 1:1  Wft definieert onder andere “in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten” als het verlenen van een beleggingsdienst. In artikel 1:1 Wft staat tevens opgenomen wat onder financiële instrumenten wordt verstaan. 

Nationaal regime

Daarnaast geldt vanaf 1 juli 2008 het nationaal regime, waarbij het adviseren over deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen mogelijk is onder het nationaal regime.

Afhankelijk van wat u wilt gaan doen, kunt u voor het nationaal regime kiezen of dient u een vergunning als beleggingsonderneming aan te vragen. Meer informatie over de procedure voor vergunningaanvragen kunt u vinden op de pagina Wat doet de AFM voor ondernemers?.  

Stuur deze vraag door

Vervalt de vergunning die is verkregen op grond van artikel 7, zesde lid, Wte 1995 door beleggingsondernemingen met een zetel in Australië, de Verenigde Staten of Zwitserland die voldoen aan artikel 10 Vrijstellingsregeling Wft (Vr Wft) per 1 januari 2007 automatisch, aangezien desbetreffende beleggingsondernemingen op grond van artikel 10 Vr Wft zijn vrijgesteld van de vergunningplicht of dienen desbetreffende beleggingsondernemingen zich eerst te melden bij de AFM?

De vergunning ex artikel 7, zesde lid, Wte 1995 vervalt niet van rechtswege door artikel 10 Vr Wft. Op grond van artikel 44, tweede lid, Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht berust een vergunning die is verleend op grond van artikel 7, zesde lid, Wte 1995 vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wft op artikel 2:99 Wft.

De vergunning kan ingevolge artikel 1:104, eerste lid, onderdeel a, Wft op aanvraag van de vergunninghouder door de AFM worden ingetrokken. Betreffende beleggingsonderneming met een zetel in Australië, de Verenigde Staten of Zwitserland die voldoet aan artikel 10 Vr Wft, dient dus eerst aan de AFM kenbaar te maken dat zij de vergunning wenst in te trekken.

Stuur deze vraag door

Kunnen beleggingsondernemingen uit Zwitserland, de Verenigde Staten en Australië, die onder toezicht staan van een zelfregulerende organisatie, ook een beroep doen op de vrijstelling van de vergunningplicht, zoals bedoeld in artikel 10 van de Vrijstellingsregeling Wft?

Volgens art. 10, lid 1 van de Vrijstellingsregeling Wft zijn beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten of Zwitserland vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet als deze beleggingsondernemingen voor de beleggingsdienst die zij voornemens zijn in Nederland te verlenen onder toezicht staan van een toezichthoudende instantie in de staat van hun zetel en  voorafgaand aan het verlenen van beleggingsdiensten aan de Autoriteit Financiële Markten een verklaring hebben overgelegd, afgegeven door de desbetreffende toezichthoudende instantie in de staat van hun zetel waaruit blijkt dat zij aldaar voor het verlenen van de beleggingsdienst die zij voornemens is te verlenen onder toezicht staan.

De Wft definieert een ‘toezichthoudende instantie’ als “een buitenlandse overheidsinstantie of een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn”.

Met een ‘toezichthoudende instantie’ als bedoeld in het eerste lid van artikel 10 wordt voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld een zelfregulerende organisatie die toezicht houdt op beleggingsondernemingen en die als zodanig is aangewezen of erkend is door een toezichthoudende instantie zoals gedefinieerd in de Wft. Voorbeelden van dergelijke zelfregulerende organisaties in bijvoorbeeld de VS zijn: de New York Stock Exchange (NYSE), die erkend is door de U.S. Securities and Exchange Commission (SEC),  en de Chicago Mercantile Exchange (CME) en de Chicago Board of Trade (CBOT) die erkend zijn door de Commodity Futures Trading Commission (CFTC).

Dus indien een Amerikaanse beleggingsonderneming bijvoorbeeld onder toezicht staat van de NYSE dan wordt voor de toepassing van dit artikel ervan uitgegaan dat die beleggingsonderneming in de VS onder toezicht staat van een ‘toezichthoudende instantie’. Om in aanmerking te komen voor een vrijstelling zal deze beleggingsonderneming een verklaring van de NYSE moeten kunnen overleggen dat zij voor de beleggingsdienst die zij voornemens is in Nederland te verlenen in Amerika onder toezicht staat van de NYSE.

Stuur deze vraag door