Terug

Artikel 3:2 NRgfo

Veelgestelde vragen over Artikel 3:2 NRgfo

Moet het in artikel 3:5, lid 5, sub c, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) genoemde rekenrendement voldoen aan de vereisten zoals genoemd in artikel 2:2, lid 2, NRgfo?

Zolang artikel 173 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft geldt voor offertes, is er geen link tussen de financiële bijsluiter en de offerte en geldt dat instellingen meer vrijheid hebben om de inleg te bepalen. Instellingen moeten zich daarbij realiseren dat per 1 april 2007 de inleg aangepast moet worden als deze niet overeenkomt met hetgeen in de offerte wordt gebruikt. 

Nadere toelichting:

De regels ten aanzien van het bepalen van de inleg bij de financiële bijsluiter ex artikel 3:5, lid 5 sub c, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) vallen niet onder de vrijstelling tot 1 april 2007. Daar moet al per 1 oktober 2006 aan worden voldaan. Als er zich een verschil voordoet tussen de financiële bijsluiter en de offerte, zal u in uw toelichting in de begeleidende brief bij de offerte, moeten uitleggen waarom er zich een verschil voordoet tussen de financiële bijsluiter en de offerte. Is de inleg nu gebaseerd op een rekenrendement van x% en wordt dit in de toekomst gewijzigd naar y%, dan zult u dit verschil in de brief moeten uitleggen.

Het rekenrendement van artikel 3:5, lid 5, sub c, NRgfo hoeft in beginsel niet gebaseerd te zijn op één van de drie voorgeschreven rendementen, maar mag gebaseerd zijn op een eigen rekenrendement. Dit rendement wordt enkel gebruikt om de inleg te bepalen. Met de inleg moet het aflossingsdoel worden bereikt (conform artikel 3:5, lid 5, sub c, NRgfo).
 
De inleg is tevens het uitgangspunt om te bepalen wat de opbrengst is bij 4%, historisch rendement en pessimistisch rendement. De Autoriteit Financiële Markten (‘AFM’) gaat er vanuit dat door de instellingen van een zodanig rendement zal worden uitgegaan, dat met de inleg die als uitgangspunt wordt genomen, het aflossingsdoel wordt benaderd in de grafieken. Anders zal immers óf het te behalen rendement erg laag zijn, óf de inleg erg hoog. Over de inleg moeten vervolgens de voorgeschreven drie rendementen worden berekend, hetgeen in de grafieken naar voren komt.

Aangenomen wordt dan ook dat de instellingen, als ze gebruik maken van een 'eigen rendement', bij de keuze van dit rekenrendement dicht bij het 4%, historisch of pessimistisch rendement zullen uitkomen, waarschijnlijk zal het vaak het historisch rendement zijn.

Gezien de relatie die is gelegd tussen artikel 2:2 NRgfo en artikel 3:9, lid 1, onder a, b, of c, NRgfo, geldt voorts omgekeerd dat het rendement waarmee het aflossingsdoel wordt beoogd, het 4%, historisch, pessimistisch of eigen rendement mag zijn, mits deze laatste niet hoger is dan het historisch rendement. Ervan uitgaande dat de inleg wordt bepaald op basis van een van die rendementen om tot een X aflossingsdoel te komen, wordt de inleg bepaald op basis van het 4%, historisch, pessimistisch of eigen rendement, mits niet hoger dan het historisch rendement. Dat betekent ook dat als de inleg in de offerte is gebaseerd op 4%, historisch, pessimistisch of eigen rendement mits niet hoger dan historisch, de inleg in de financiële bijsluiter op dezelfde manier zou moeten worden berekend.
 
Als voorbeeld (cijfers zijn hierin slechts illustratief en hebben geen enkele rekenkundige waarde): Stel aflossingsdoel = €250.000, historisch rendement: 8,3%, eigen rendement: 10% Dat betekent dat in de offerte uitgegaan wordt van een inleg die met een rendement van 8,3% (namelijk eigen rendement, afgetopt door historisch rendement) leidt tot een aflossingsdoel van €250.000. Bij een schuldproduct zal immers een inleg berekend worden die zal leiden tot een bedrag waarmee de schuld kan worden afgelost. Aangezien in de offerte een rekenrendement wordt gebruikt van 8,3%, wordt dat rendement in de financiële bijsluiter ook gebruikt voor het vaststellen van de inleg onder het kopje 'Wat zijn de kosten?'. Dat zal ertoe leiden dat onder het kopje 'Wat het product opbrengen?' in de grafiek met het historisch rendement aan het einde van de looptijd een opbrengst wordt bereikt die zo groot is als het aflossingsdoel, en dat in de andere twee grafieken (4% en pessimistisch), het aflossingsdoel niet wordt bereikt.

Stuur deze vraag door

Mag ik in afwijking van het gestelde in artikel 3:5, lid 4, NRgfo andere parameters gebruiken voor pensioenproducten, zijnde een vorm van ‘levensverzekeringen’ bestemd voor particulieren?

Nee. Volgens artikel 65 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘Bgfo’) moet een financiële bijsluiter opgesteld worden voor pensioenproducten, zijnde een vorm van ‘levensverzekeringen’ bestemd voor particulieren. Als een dergelijk product een ‘opbouwproduct’ is in de zin van de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’), dan moet een financiëledienstverlener de parameters voor een opbouwproduct hanteren. Het is niet toegestaan in afwijking van het gestelde in artikel 3:5, lid 4, NRgfo andere parameters te gebruiken.
Stuur deze vraag door

Welke looptijd geldt voor mijn complexe product (recht van deelneming in een beleggingsinstelling)?

In artikel 3:5, lid 1, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) is bepaald op welke contractuele looptijden een financiële bijsluiter gebaseerd moet zijn voor zover van toepassing voor de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten. Kent een product een vaste looptijd die niet afwijkt voor verschillende consumenten, dan is de financiële bijsluiter gebaseerd op de vaste looptijd (artikel3:5, lid 1, sub a, NRgfo). Kent een product geen vaste looptijd, dan geldt artikel 3:5, lid 1, sub b, NRgfo en moet worden uitgegaan van de aannames voor de verschillende producten. Voor een recht van deelneming geldt in dat geval een looptijd van 1 jaar. In artikel 3:5, lid 3, sub a, NRgfo is bepaald dat een tussenliggende looptijd van 1 jaar geldt als de contractuele looptijd langer is dan 1 en korter dan of gelijk is aan 10 jaren.
Stuur deze vraag door

Kan de berekening van de GUISE achterwege blijven als voor traditionele levensverzekeringen en lijfrenteverzekeringen?

Nee. De berekening van de GUISE kan niet achterwege blijven.Voor alle complexe producten moet een GUISE berekend worden. Dit geldt dus ook voor traditionele levensverzekeringen en lijfrenteverzekeringen zijnde complexe producten in de zin van artikel 1, sub d, Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Een consument moet namelijk voor alle complexe producten een financiële bijsluiter kunnen nalezen, zodat hij inzicht kan krijgen in de meest wezenlijke aspecten van het product en hij deze kan vergelijken met eigenschappen van andere financiële producten. Bij traditionele levensverzekeringen en lijfrenteverzekeringen zal de laagste opbrengst in beginsel direct de GUISE zijn. Wel moet er bij de bepaling van de GUISE rekening gehouden worden met kosten die nog in mindering worden gebracht.
Stuur deze vraag door

Klopt het dat er voor een aantal vormen van traditionele lijfrenteverzekeringen geen financiële bijsluiter opgesteld hoeft te worden?

Nee. Traditionele lijfrenteverzekeringen zijn complexe producten in de zin van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Het is dus niet juist om te veronderstellen dat er voor de een aantal vormen van traditionele lijfrenteverzekeringen geen financiële bijsluiter opgesteld hoeft te worden. In artikel 3:5, lid 4, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) worden parameters gegeven voor lijfrenteverzekeringen. In artikel 3:5, lid 4, sub c, NRgfo wordt een parameter gegeven voor een niet-direct uitkerende lijfrenteverzekering. Dit kan bijvoorbeeld een uitgestelde lijfrenteverzekering zijn. In artikel 3:5, lid 4, sub e, NRgfo wordt een parameter gegeven voor een traditionele direct ingaande lijfrenteverzekering.
Stuur deze vraag door

Kan ik de parameter als bedoeld in artikel 3:5, lid 5, sub e, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft gebruiken voor de aannames in de inleiding van de financiële bijsluiter?

Nee. De parameter van artikel 3:5, lid 5, sub e, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft heeft betrekking op de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten en niet op het bepalen van de beleggingsklasse voor het opstellen van de financiële bijsluiter van een spaarbeleggingshypotheek of hybride hypotheek en het kiezen van de aannames die een financiëledienstverlener moet vermelden in de inleiding van de financiële bijsluiter. In tabel 1 en 2 van Bijlage 5 NRgfo wordt aangegeven welke keuze een financiële dienstverlener moet maken naar gelang de beleggingsklasse zoals voorgeschreven in artikel 3:3, lid 1 en 4, NRgfo.

De Autoriteit Financiële Markten gaat er echter mee akkoord dat de financiële dienstverleners in afwijking van het bepaalde in de NRgfo de zinsdelen ‘, met 50% sparen en 50% beleggen’ en ‘en met 50% sparen en 50% beleggen’ opnemen in de financiële bijsluiter van hybride hypotheekproducten.

Stuur deze vraag door

Kan ik voor mijn koopsomproduct kiezen tussen een eenmalige inleg van € 1.000 en een eenmalige premiestorting van € 5.000?

Nee. Er kan niet gekozen worden tussen een eenmalige inleg van €1.000 en een eenmalige premiestorting van €5.000. Dit volgt uit artikel 3:5, lid 4, sub a en c, NRgfo. Artikel 3:5, lid 4, sub a, NRgfo, bepaalt dat de parameter ‘een eenmalige inleg van €1000’ is. Artikel 3:5, lid 4,  sub c, NRgfo bepaalt dat de parameter ‘een eenmalige premiestorting van €5.000 in geval van een niet-direct uitkerende lijfrente’ is. In een geval van een niet-direct uitkerende lijfrente is artikel 3:5, lid 4, sub c, NRgfo van toepassing. Is er geen sprake van een niet-direct uitkerende lijfrente, dan is artikel 3:5, lid 4, sub a, NRgfo van toepassing.
Stuur deze vraag door

Om welke kosten gaat het bij transactiekosten?

Bij transactiekosten gaat het in beginsel om de kosten van ‘vooraf te verwachten mutaties’ in de beleggingen van het betreffende product.
Stuur deze vraag door

Op basis waarvan moet ik mijn financiële bijsluiter opstellen als mijn product een complex product is in de zin van artikel 1, sub d, Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en is opgebouwd uit meerdere beleggingsfondsen?

Een financiële dienstverlener die een product dat is opgebouwd uit meerdere beleggingsfondsen aanbiedt, mag slechts één financiële bijsluiter opstellen. Hij moet voor de berekening van de risico-indicator de te gebruiken parameters vaststellen op basis van de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’). Dit geldt in grote lijnen voor zowel opbouwproducten als ook voor schuldproducten. In bijlage 4 NRgfo is de toelichting op de berekening van de GUISE (Gemiddelde uitbetaling in de slechtste 10% van de gevallen) te vinden. In bijlage 5 NRgfo staat de bepaling van de beleggingsklasse en de parameters.

In bijlage 4 NRgfo is de toelichting op de berekening van de GUISE opgenomen. De te gebruiken parameters voor verschillende onderliggende waarden, alsmede enkele bepalingen in welke gevallen welke klasse van onderliggende waarden moet worden gekozen zijn te vinden in bijlage 5 NRgfo.

In bijlage 5 NRgfo is beschreven hoe de beleggingsklasse bepaald moet worden. Deze beleggingsklasse moet gehanteerd worden bij het kiezen van de parameters, dan wel het raadplegen van de tabellen. Deze beleggingsklasse is ook bepalend voor de berekening van de risico-indicator en moet op basis van artikel 3:5, lid, 6 NRgfo vastgesteld worden. Welke beleggingsklasse is gekozen bij de financiële bijsluiter, moet in de financiële bijsluiter worden toegelicht. Met andere woorden, de aannames moeten worden vermeld. Deze aannames worden aangegeven in de inleiding van de financiële bijsluiter. In tabel 1 en 2 van Bijlage 5 NRgfo wordt voor zover van toepassing aangegeven welke keuze gemaakt moet worden naar gelang de beleggingsklasse zoals voorgeschreven in artikel 3:3, lid 1 en 4, NRgfo.

De ‘maatmens’-financiële bijsluiter moet een goede afspiegeling zijn van het product. Uitgangspunt voor het het bepalen van de beleggingsklasse in de ‘maatmens’-financiële bijsluiter is dat er voor het betreffende product een representatieve keuze van beleggingen gemaakt moet worden. De term representatief kan geïnterpreteerd worden als de meest afgenomen vorm binnen een product. Representatief kan/mag dus lager zijn dan 75%.

Stuur deze vraag door

Op grond van artikel 3:5, lid 1, sub b, onder 3º, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft moet bij een recht van deelneming een looptijd van 1 jaar worden gehanteerd bij de berekening van de parameter. Klopt het dat de minimale kwalificatie van een beleggingsfonds (zonder garantie) ‘vrij groot’ is, terwijl het kenmerk van het liquiditeitenfonds juist ‘defensief’ is?

Ja. De voorgeschreven rekenmodules en de tekst van de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft kan leiden tot een risico-indicator ‘vrij groot’ in geval van een defensief liquiditeitenfonds, omdat er geen garantie aan het product gekoppeld is (artikel 3:6, lid 3 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft).
Stuur deze vraag door

Baseer ik mijn hypotheekproduct als dit product een complex product is in de zin van artikel 1, sub d, Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft op eenmalige inleg of periodieke inleg als mijn product beide varianten toestaat?

Voor deze hypotheekproducten (schuldproducten in de zin van de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft) mag slechts één financiële bijsluiter opgesteld worden. Het uitgangspunt voor het opstellen van de financiële bijsluiter is de ‘maatmens’ en een voor de ‘maatmens’ geldende standaardsituatie. Kies voor het opstellen van de financiële bijsluiter wat voor het betreffende product het meest representatief is. Voor het opstellen van de financiële bijsluiter moet een financiëledienstverlener dus gebruik maken van een periodieke inleg óf een eenmalige inleg.
Stuur deze vraag door

Hoe moet ik bij de opbrengstgrafieken omgaan met een beleggingslijfrente waarbij de uitkering wordt uitgedrukt in units?

Voor de opbrengstgrafieken van beleggingslijfrenteproducten kunnen financiële dienstverleners de uitkeringen op basis van de waarde van de units berekenen.
Stuur deze vraag door

Welke uitkeringstermijn moet ik hanteren bij de direct ingaande lijfrenteverzekering: maand, kwartaal, halfjaar of jaar

Kies voor het opstellen van de financiële bijsluiter de uitkeringstermijn die voor het betreffende product het meest representatief is. Het uitgangspunt voor het opstellen van de financiële bijsluiter is namelijk de ‘maatmens’ en een voor de ‘maatmens’ geldende standaardsituatie. Voor de uitkeringstermijn is geen standaardsituatie voor de ‘maatmens’ voorgeschreven, zodat voor de uitkeringstermijn een representatieve keuze gemaakt moet worden voor het betreffende product.
Stuur deze vraag door

Wat is een niet-direct uitkerende lijfrenteverzekering?

Een niet-direct uitkerende lijfrenteverzekering zoals bedoeld in artikel 3:5, lid 4, onder c, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft is een uitgestelde lijfrente.
Stuur deze vraag door

Wat wordt bedoeld met de laagst mogelijke winstdeling?

De laagst mogelijke winstdeling kan negatief kan zijn. Stuur deze vraag door

Welke duur moet ik hanteren bij de berekening van kosten, risico en opbrengsten van een traditioneel direct ingaande lijfrenteverzekering?

Bij de berekening van kosten, risico en opbrengsten moet de duur van een opbouwproduct gehanteerd worden, namelijk 20 jaar (artikel 3:5 lid 4, onder d en e, Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft).
Stuur deze vraag door

Waar vind ik de parameters voor een direct ingaande lijfrente?

De parameters voor een direct ingaande lijfrente zijn te vinden in artikel 3:5, lid 4, onder d en e, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Zo geldt een looptijd van 20 jaar en is een slotuitkering van toepassing.
Stuur deze vraag door

Met welke inleg moet ik rekenen als de minimumpremie van mijn product lager is dan de voorgeschreven premie?

Als de minimumpremie van een product lager is dan de voorgeschreven premie, moet er gerekend worden met de voorgeschreven premie. Voor het opstellen van een financiële bijsluiter zijn namelijk bepaalde keuzes gemaakt (‘maatmens’). Dit geldt ook voor de premie. Bij de financiële bijsluiter staat namelijk de vergelijkbaarheid van de verschillende complexe producten centraal.
Stuur deze vraag door

Waarom is de jaarlijkse spaarpremie van een spaarhypotheek €3.428,87?

De jaarlijkse spaarpremie van een spaarhypotheek is €3.428,87, omdat bij dit bedrag en een percentage van 4% het hypotheekbedrag uitkomt op €200.000. Voor het opstellen van een financiële bijsluiter zijn namelijk bepaalde keuzes gemaakt (‘maatmens’). Dit geldt ook voor het hypotheekbedrag van €200.000.

Stuur deze vraag door

Welke looptijd geldt voor mijn product?

In artikel 3:5, lid 1, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) is bepaald op welke contractuele looptijden een financiële bijsluiter gebaseerd moet zijn voor zover van toepassing voor de berekening van het financiële risico, de kosten en opbrengsten. Kent een product een vaste looptijd die niet afwijkt voor verschillende consumenten, dan is de financiële bijsluiter gebaseerd op de vaste looptijd (artikel 3:5, lid 1, sub a, NRgfo). Kent een product geen vaste looptijd, dan geldt artikel 3:5, lid 1, sub b, NRgfo en moet worden uitgegaan van de aannames voor de verschillende producten. Op basis van artikel 3:5, lid 3, artikel 3:8, lid 9 en 3:9, lid 3, NRgfo kunnen dan de parameters worden vastgesteld. Voor het opstellen van een financiële bijsluiter zijn bepaalde keuzes gemaakt (‘maatmens’). De ‘maatmens’-financiële bijsluiter moet een goede afspiegeling zijn van het product. Dit geldt ook voor de contractuele looptijden.

Stuur deze vraag door

Welk rendement moet ik voor het berekenen van de inleg van een schuldproduct gebruiken?

Een financiële dienstverlener moet volgens artikel 3:5, lid 5, sub c, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft een inleg gebaseerd op de historische rendementen en/of voorgeschreven rekenrendementen uit bijlage 5, tabel 0, en een aflossingsdoel dat gelijk is aan het krediet hanteren.

Stuur deze vraag door

Is er een verschil tussen het gehanteerde bedrag voor jaarpremies en het percentage dat gebruikt wordt voor maandpremies?

In de Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft is gekozen voor het handhaven van de jaarpremie. Bij maandbetalingen voor een product moet dit voor het opstellen van de financiële bijsluiter worden omgezet in jaarbetalingen. De ‘maatmens’-financiële bijsluiter moet een goede afspiegeling zijn van het product. Dit geldt ook voor de berekeningen in de financiële bijsluiter.

Stuur deze vraag door

Wat moet ik kiezen als er sprake is van overige variabelen die van invloed zijn op de hoogte van de premie?

Volgens artikel 3:5, lid 2, Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) moet er in geval van overige variabelen die van invloed zijn op de hoogte van de premie de meest representatieve keuze uit variabelen dan wel die variabelen die leiden tot de hoogst mogelijke premie gemaakt worden. Met ‘representatieve keuze uit variabelen’ worden variabelen bedoeld die van toepassing zijn op meer of gelijk aan 75% van het (potentiële) klantenbestand (Toelichting NRgfo). Zijn er meerdere opties mogelijk, dan geldt de meest gekozen variant.

Stuur deze vraag door

Wat moet ik doen als de parameters niet aansluiten bij de producten? Welke kostenstructuur moet ik als ik het product niet aanbied op basis van de voorgeschreven parameters?

Voor het opstellen van een financiële bijsluiter zijn bepaalde keuzes gemaakt (‘maatmens’). Om de berekeningen voor de risico-indicator, kosten en opbrengsten te kunnen maken, zijn in artikel 7 Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (‘NRgfo’) de benodigde parameters opgenomen inzake looptijd, persoonlijke gegevens, hoogte van schuld of streefkapitaal, inleg en beleggingsklasse. Voor de kosten moet de aanbieder van het complex product de kostenstructuur nemen van een wel door hem aangeboden product dat zo dicht mogelijk bij de door de NRgfo voorgeschreven parameters ligt. De financiële bijsluiter moet een goede afspiegeling zijn van het product. Als de parameters niet toepasbaar zijn, kan de aanbieder van het complex product de AFM verzoeken om aanvullingen. Past een product niet, dan kunnen concrete voorbeelden naar de AFM gestuurd worden. De AFM kan dan op basis van de voorbeelden bekijken of aanvullingen nodig zijn (Toelichting NRgfo).

Stuur deze vraag door