De website afm.nl maakt gebruik van cookies

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

 
 

Onderwerp

 
 
 
 
  • Wat is het doel van de WWFT?  

    Het voorkomen dan wel bestrijden van het witwassen van geld en financieren van terrorisme, om de integriteit van de financiële markten te waarborgen.

  • Wat zijn de belangrijkste wijzigingen van de WWFT ten opzichte van de Wid en de wet MOT?  

    1. De introductie van het risicogeoriënteerd cliëntenonderzoek. 
    2. De verplichting van ondernemingen om bij rechtspersonen de Uiteindelijk Belanghebbende (de zogenaamde UBO) te identificeren.
    3. De verplichting om een aanvullend onderzoek in te stellen bij Politiek prominente personen (PEP).

  • Wat zijn de belangrijkste wijzigingen als gevolg van de wetswijziging van 1 januari 2013? 

    Met ingang van 1 januari 2013 zijn enkele bepalingen uit de Wwft aangepast. Deze wijzigingen betreffen onder meer de verscherping van het cliëntenonderzoek en de verplichting tot het melden van ongebruikelijke transacties.

    Meer informatie kunt u lezen in de aangepaste Wwft-leidraad en de actuele veelgestelde vragen.

     

  • Welke partijen vallen onder de WWFT?  

    Artikel 1 van de WWFT bevat een opsomming van partijen die onder de WWFT vallen. Het gaat hierbij onder meer om: banken, verzekeraars, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en bemiddelaars in levensverzekeringen.

  • Wat is een PEP?  

    Onder PEP’s worden personen verstaan, die een prominente publieke functie bekleden of hebben bekleed en de directe familieleden of naaste geassocieerden van deze personen.

    Voorbeelden van PEP’s zijn:

    • staatshoofden, regeringsleiders, ministers en staatssecretarissen
    • parlementsleden
    • leden van hoge rechterlijke instanties
    • leden van rekenkamers of directies van centrale banken
    • ambassadeurs, zaakgelastigden en hoge leger officieren
    • leden van bestuursorganen, leidinggevende of toezichthoudende
    • organen van overheidsbedrijven

  • Wat is een UBO?  

    Een UBO is een 'Ultimate Beneficial Owner' of uiteindelijk belanghebbende. De definitie van UBO is met de wetswijziging van 1 januari 2013 opnieuw vastgesteld. Sindsdien valt ook de natuurlijke persoon die begunstigde is van 25 procent of meer van het vermogen van een cliënt of trust onder de werking van de Wwft. De instelling is verplicht om de identiteit van de UBO vast te stellen.

  • Wat houdt de verbodsbepaling in?  

    Het is verboden een zakelijke relatie aan te gaan of een transactie uit te voeren, wanneer er geen cliëntenonderzoek heeft plaatsgevonden.

    Als er al een zakelijke relatie met de cliënt bestaat, maar niet aan het cliëntenonderzoek kan worden voldaan, moet de zakelijke relatie worden beëindigd.

  • Zijn er uitzonderingen op de verbodsbepaling?  

    Ja, mits sprake is van;

    ·         aangewezen cliënten of diensten;
    ·         geïntroduceerde cliënten, uitbesteding van identificatie;
    ·         cliënten die reeds onder de Wid zijn geïdentificeerd of onder de Wid geen identificatie was vereist.

  • Wat is het cliëntenonderzoek?  

    Het cliëntenonderzoek is de beoordeling van het risico dat een onderneming neemt bij het aangaan van een relatie met een cliënt. Een onderneming verricht een cliëntenonderzoek ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Het cliëntenonderzoek kan worden afgestemd op de risicogevoeligheid voor witwassen of financieren van terrorisme van het type cliënt, zakelijke relatie, product of transactie.

  • Wat is het doel van het cliëntenonderzoek?  

    Het cliëntenonderzoek stelt de instelling in staat om:

    • de cliënt te identificeren
    • de identiteit te verifiëren
    • de uiteindelijke belanghebbende te identificeren en verifiëren
    • doel en beoogde aard van de zakelijke relatie vast te stellen
    • de zakelijke relatie en zijn transacties te monitoren, eventueel onderzoek naar de bron van het vermogen
    • vast te stellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is en deze persoon te identificeren en diens identiteit te verifiëren
    • op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om te verifiëren of de cliënt ten behoeve van zichzelf optreedt dan wel ten behoeve van een derde

  • In welke gevallen verricht een instelling een standaard cliëntenonderzoek? 

    Een onderneming moet een standaard cliëntenonderzoek verrichten in de volgende gevallen:

    • Wanneer zij in of vanuit Nederland een zakelijke relatie aangaat.
    • Wanneer zij in of vanuit Nederland een incidentele transactie verricht ten behoeve van de cliënt van ten minste 15.000 euro, of twee of meer transactie waartussen een verband bestaat met een gezamenlijke waarde van meer dan 15.000 euro.
    • Wanneer er indicaties zijn dat de cliënt betrokken is bij witwassen of financieren van terrorisme.
    • Wanneer zij twijfelt aan de betrouwbaarheid van eerder verkregen gegevens van de cliënt.
    • Wanneer het risico van betrokkenheid van een bestaande cliënt bij witwassen of financieren van terrorisme daartoe aanleiding geeft.
    • Wanneer er een verhoogd risico op witwassen of financieren van terrorisme geeft, gelet op de staat waarin een cliënt woonachtig of gevestigd is of zijn zetel heeft.

    Het cliëntenonderzoek dat door de instellingen moet worden verricht is aangescherpt sinds 1 januari 2013. Dit houdt onder meer in dat de onderneming moet vaststellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is. De onderneming moet de natuurlijke persoon identificeren en diens identiteit verifiëren.

    Stromanconstructies

    Daarnaast moet de onderneming zogenaamde ‘stromanconstructies’ herkennen. Dit zijn constructies waarbij personen ingezet worden om op eigen naam, maar ten behoeve van (criminele) derden transacties te verrichten. De onderneming moet op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om na te gaan of de natuurlijke persoon voor zichzelf optreedt dan wel voor anderen.

  • Op welk moment moet een instelling een cliëntenonderzoek uitvoeren?  

    De identificatie, verificatie en het vaststellen van de uiteindelijk belanghebbende moet plaatsvinden voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een incidentele transactie groter dan €15.000 wordt verricht.

    Een instelling kan ervoor kan kiezen om de identificatie van de cliënt of UBO gedurende de dienstverlening te voltooien om de normale zakelijke dienstverlening niet onnodig te verstoren. Voorwaarden hiervoor zijn dat dit alleen in situaties mag met een laag risico en dat de identificatie zo snel mogelijk na het eerste contact wordt voltooid.

    Een uitzondering op het verplichte cliëntenonderzoek geldt voor cliënten die reeds op grond van de Wid zijn geïdentificeerd of ten aanzien van wie geen verplichting tot identificatie op grond van die wet was vereist. Deze uitzondering geldt slechts voor zover dit onderzoek materieel reeds heeft plaatsgevonden conform de Wid bij dienstverlening.

  • Welke vormen van het cliëntenonderzoek kent de WWFT? 

    1. Het vereenvoudigd cliëntenonderzoek. Bij het vereenvoudigd cliëntenonderzoek is er sprake van cliënten bij wie een laag risico bestaat op witwassen en financieren van terrorisme. Voorbeelden van zulke cliënten zijn Nederlandse overheidsinstanties en beursgenoteerde ondernemingen inclusief de dochtervennootschappen.

    2. Het standaard cliëntenonderzoek. Het identificeren en verifiëren van de identiteit van de cliënt.

    3. Het verscherpt cliëntenonderzoek. De wetgever heeft bepaald dat in gevallen waarbij sprake is van cliënten die een hoog risico vormen, een verscherpt cliëntenonderzoek plaats moet vinden. De wetgever heeft drie voorbeelden genoemd:
      1. Het betreft een zakelijke relatie of transactie met een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme.
      2. De cliënt is fysiek niet aanwezig.
      3. De cliënt is een buiten Nederland woonachtige PEP. Nieuw is dat PEP’s die in Nederland wonen maar een niet-Nederlandse nationaliteit hebben, ook onder het verscherpte cliëntenonderzoek vallen.

    Sinds de wetswijziging van 1 januari 2013 moet de instelling niet alleen van de cliënt, maar ook van de UBO controleren of deze een PEP is.

  • Wat houdt risicogeoriënteerd cliëntenonderzoek in? 

    De Wwft kent het risicogeoriënteerde cliëntenonderzoek. Een onderneming kan het cliëntenonderzoek afstemmen op de risicogevoeligheid voor witwassen of financiering van terrorisme van het type cliënt, zakelijke relatie, product of transactie.

    Wanneer de cliënt niet fysiek aanwezig is voor identificatie, moet de onderneming maatregelen nemen om het hogere risico te compenseren. Ook moet zij procedures opstellen voor de wijze waarop de identiteit wordt geverifieerd. De identiteitsgegevens en de uitkomsten van de verificatie van de identiteit moeten op op toegankelijke wijze worden vastgelegd.

  • Kan een onderneming gebruikmaken van de identificatie- en verificatiegegevens gebruikmaken die zij van een andere onderneming heeft gekregen? 

    De WWFT geeft aan dat afgeleide identificatie mogelijk is. Een onderneming kan dan voor het cliëntenonderzoek gebruik maken van de identificatie en verificatiegegevens die zij binnenkrijgt van een andere onderneming (bijvoorbeeld een bank). Dit staat in artikel 9 van de WWFT.

    Notarissen en advocaten zijn ook ondernemingen in de zin van de WWFT.

  • Mag de onderneming het identificeren van haar cliënten uitbesteden?  

    Ja, de onderneming mag het cliëntenonderzoek aan een derde uitbesteden. De onderneming blijft echter zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Wwft.

    Een onderneming kan het cliëntenonderzoek laten verrichten door een derde, onverminderd haar verplichting te voldoen aan het cliëntenonderzoek. De identificatie, verificatie, het nagaan van de uiteindelijk begunstigde en het vaststellen van het doel en beoogde aard van de zakelijke relatie kan worden uitbesteed. Een opdracht tot uitbesteding met een structureel karakter moet door door de onderneming schriftelijk worden vastgelegd.

  • Wat is het verifiëren van de identiteit? 

    Bij de identificatie van de cliënt kan worden afgegaan op de door de cliënt verstrekte gegevens. Verifiëren van de identiteit is het vaststellen dat de opgegeven identiteit overeenkomt met de werkelijke identiteit.

    Aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron kan de door de cliënt opgegeven identiteit worden gecontroleerd. De verificatie kent een risicogeoriënteerd karakter: de onderneming moet kunnen beargumenteren dat het gerechtvaardigd was om op bepaalde documenten, gegevens of inlichtingen af te gaan.

  • Welke verificatiemiddelen zijn toegestaan? 

    Natuurlijke personen

    • een geldig paspoort, identiteitskaart, rijbewijs
    • een geldige identiteitskaart of rijbewijs uit een lidstaat
    • reisdocumenten voor vluchtelingen en vreemdelingen
    • vreemdelingendocumenten

    Nederlandse en buitenlandse rechtspersonen, in Nederland gevestigd

    • (elektronisch) uittreksel handelsregister (optie: gewaarmerkt)
    • een akte of verklaring van een Nederlandse notaris of een daarmee vergelijkbare functionaris uit een andere lidstaat

    Buitenlandse rechtspersonen, niet in Nederland gevestigd

    • betrouwbare en in het internationale verkeer gebruikelijke documenten uit onafhankelijke bron, gegevens of inlichtingen
    • documenten, gegevens of inlichtingen die bij wet als geldig middel voor identificatie zijn erkend in de staat van herkomst van de cliënt

    Overige cliënten

    • Aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron.

    De onderneming moet kunnen beargumenteren dat het gerechtvaardigd was om op bepaalde documenten, gegevens of inlichtingen af te gaan.

  • Wat houdt de meldplicht in? 

    Een onderneming moet een beleid hebben dat haar in staat stelt om ongebruikelijke transacties te herkennen en moet ongebruikelijke transacties melden bij het FIU.

    Een melding van een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie moet onverwijld plaatsvinden, nadat het ongebruikelijke karakter van die transactie bekend is geworden. Met onverwijld wordt bedoeld: in ieder geval binnen veertien dagen.

    Met de wetswijziging van 1 januari 2013 is het transactiebegrip aangepast. Een direct of causaal verband tussen de ongebruikelijke transactie en de werkzaamheden van de onderneming is geen vereiste. Het is voor de meldingsplicht in beginsel niet relevant wanneer een ongebruikelijke transactie heeft plaatsgevonden.

  • Wat zijn de indicatoren op basis waarvan gemeld moet worden? 

    In de bijlage van artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit van de Wwft staat de lijst met indicatoren op grond waarvan gemeld moet worden. De indicatorenlijst onderscheidt objectieve en subjectieve indicatoren:

    • objectieve indicatoren
      Voorbeelden van objectieve indicatoren zijn: contante wisseltransacties met een waarde van 15.000 euro of meer, en transacties met aangewezen landen.
      |
    • subjectieve indicatoren
      Transacties waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme.

    Transacties die in verband met witwassen aan politie of Openbaar Ministerie worden gemeld, moeten ook aan het FIU worden gemeld.

    Overigens zijn beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en financiëledienstverleners in bijna alle gevallen verplicht om het feit dat zij een MOT-melding hebben gedaan bij het FIU, onverwijld als incident te melden bij de AFM. Deze plicht volgt uit respectievelijk artikel 19, derde lid, artikel 24, derde lid, en artikel 29, derde lid, Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

    Nieuw is dat een melding dient plaats te vinden wanneer het cliëntenonderzoek niet de door de wet voorgeschreven gegevens heeft opgeleverd, en indien er 'indicaties' zijn van betrokkenheid bij witwassen of terrorismefinanciering. Ook wanneer een bestaande cliëntrelatie wordt beëindigd omdat niet alle door de wet voorgeschreven gegevens worden verkregen en deze 'indicaties' er zijn, dient een melding plaats vinden. In deze gevallen moet bij de melding ook worden aangegeven waarom het cliëntenonderzoek is mislukt.

  • Wat houdt vrijwaring in? 

    Een onderneming die in het kader van de meldplicht tot een melding is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt. Tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

    Om voor een strafrechtelijke vrijwaring van een gemelde transactie in aanmerking te komen, is sinds 1 januari 2013 expliciet de voorwaarde dat een melding te goeder trouw is verricht. Daarmee is bedoeld dat de onderneming niet zelf bewust heeft meegewerkt aan de desbetreffende feiten.

    In de context van de civielrechtelijke vrijwaring is de voorwaarde opgenomen dat gehandeld is in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de verplichting tot het (onverwijld) melden van ongebruikelijke transacties.

  • Wat houdt geheimhouding (tipping off-verbod) in? 

    Een onderneming die een melding heeft gedaan of nadere informatie heeft verstrekt, is verplicht tot geheimhouding hiervan, alsmede van het gegeven dat dit aanleiding kan geven tot nader onderzoek.

    De geheimhouding is niet van toepassing als uit de Wwft voortvloeit dat bekendmaking noodzakelijk is.

  • Wat houdt het opleidingsvereiste in? 

    Een onderneming moet ervoor zorgen dat haar medewerkers, voor zover relevant voor de uitoefening van hun taken, bekend zijn met de bepalingen van de Wwft en in staat zijn een ongebruikelijke transactie te herkennen. Sinds de wetwijziging van 1 januari 2013 moeten periodiek opleidingen worden gevolgd.