De website afm.nl maakt gebruik van cookies

Wet- en regelgeving

 
 

Onderwerp

 
 
 
 
  • Zijn aandelenklassen in Nederland toegestaan? 

    Het gebruik van aandelenklassen (shareclasses) is onder voorwaarden toegestaan. Dit maakt het mogelijk om over te kunnen gaan naar een situatie waarin het mogelijk is om een fonds zowel met als zonder distributievergoeding (en dus met een lagere managementfee) te kunnen aanbieden.

    Voorwaarden voor het gebruik van aandelenklassen

    1. Het beleggingsbeleid en daarmee het risicoprofiel van de verschillende aandelenklassen moeten identiek zijn.

    2. Het enige verschil dat mag bestaan tussen aandelenklassen betreft:
      1. de hoogte van de managementfee, gericht op het tevens kunnen aanbieden zonder distributievergoeding (zero rebate aandelenklasse).
      2. registratie van de aandelenklassen in verschillende valuta, als er maar sprake is van een enkele valuta waarmee het vermogen wordt berekend van de beleggingsmaatschappij of het subfonds.
      3. de doelgroep, om een onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld institutionele beleggers en particuliere beleggers.
      4. inschrijvingen voor een bepaalde aandelenklasse die mogen worden voorbehouden aan een categorie beleggers die van tevoren zijn gedefinieerd in het prospectus aan de hand van objectieve criteria zoals minimum periode van inschrijving.

    3. In het prospectus moet duidelijk worden omschreven wat het verschil is tussen de aandelenklassen en hoe deze zijn gestructureerd binnen de beleggingsmaatschappij of het (sub)fonds.

    4. De NAV moet worden berekend door het deel van de netto activa (of waarde van het vermogen) van de desbetreffende aandelenklasse te delen door het aantal aandelen van de betreffende aandelenklasse. In het prospectus moet de wijze van berekening van de NAV van beide aandelenklassen zijn opgenomen. Voor de berekening van de NAV moet voor beide aandelenklassen een aparte administratie worden bijgehouden. Alle aan een aandelenklasse toe te rekenen opbrengsten en kosten moeten in een separate administratie worden verantwoord.

    5. In de jaarrekening moeten de aandelenklassen individueel worden opgenomen met balans en resultatenrekening of moet in de toelichting op de jaarrekening specifieke informatie per aandelenklasse zijn opgenomen. Dit betreft een verloopstaat geplaatst kapitaal, verloopstaat agioreserve, stand totaal eigen vermogen, stand totaal aantal geplaatste aandelen en opbrengsten (op aandelenklasseniveau, indien van toepassing). Daarnaast moet per aandeel de volgende informatie worden opgenomen: de  intrinsieke waarde, transactieprijs, netto rendement en netto rendement van de benchmark, uitgekeerd dividend, vijf respectievelijk driejaarsoverzichten, TER, managementfee en vaste kosten opslag.

    6. In de Essentiële Beleggingsinformatie moet een onderscheid worden gemaakt in beide aandelenklassen.

    7. De aandelenklassen moeten apart worden gemeld en geregistreerd bij de AFM.

    De AFM staat kritisch tegenover het hanteren van een kostenstructuur in de nieuwe aandelenklasse waarbij nieuwe kostenvergoedingen worden geïntroduceerd. Een voorbeeld hiervan is een marketingvergoeding of enige andere vaste onkostenvergoeding, terwijl deze in de al bestaande aandelenklasse niet wordt gehanteerd. De aard en omvang moeten duidelijk zijn omschreven in het prospectus en ander informatiemateriaal (zoals factsheets).

  • Wat wordt verstaan onder een open-end en een closed-end beleggingsinstelling? 

    De Wft bevat geen definitie van een open-end of closed-end beleggingsinstelling. In verschillende bepalingen wordt een open-end beleggingsinstelling omschreven als een beleggingsinstelling waarvan de deelnemingsrechten op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.  Uit de toelichting op de oude Wet toezicht beleggingsinstellingen (‘Wtb’) volgt daarnaast dat een open-end beleggingsinstelling doorlopend verplicht is tot inkoop en uitgifte van deelnemingsrechten. Onder doorlopend wordt verstaan met een vaste regelmaat, bijvoorbeeld dagelijks, wekelijks, maandelijks. Een open-end instelling koopt doorgaans minimaal een maal per jaar in. Indien een beleggingsinstelling niet open-end is, is zij een closed-end beleggingsinstelling en heeft dus geen doorlopende inkoopverplichting.

    Er kunnen omstandigheden zijn waarbij een open-end beleggingsinstelling niet in kan kopen. Het moet dan gaan om bijzondere situaties waarbij het onmogelijk is de waarde van een groot deel van de activa van de beleggingsinstelling te bepalen of waarbij het feitelijk niet mogelijk is grote hoeveelheden aangeboden deelnemingsrechten in te kopen, zoals bijvoorbeeld als de beurzen gesloten zijn in verband met calamiteiten.

    De beleggingsinstelling kan de bijzondere omstandigheden waarbij zij deelnemingsrechten niet inkoopt, neerleggen in haar voorwaarden. De voorwaarden van een open-end beleggingsinstelling mogen de inkoop echter niet belemmeren danwel feitelijk onmogelijk maken. Er zal dan immers geen sprake meer zijn van doorlopende inkoop. Een beleggingsinstelling die deelnemingsrechten niet inkoopt, behalve bij bijzondere persoonlijke omstandigheden van de belegger kwalificeert niet als open-end. Hetzelfde geldt voor (i) een beleggingsinstelling die bij verzoeken tot inkoop vrije beoordelingsruimte heeft met betrekking tot de vraag of ze wel of niet inkoopt of (ii) een beleggingsinstelling die het aantal in te kopen deelnemingsrechten per jaar maximeert tot een aantal of percentage dat niet in verhouding staat tot het aantal uitstaande deelnemingsrechten en/of de verplicht aan te houden liquiditeit. Ook in deze gevallen is geen sprake van doorlopende inkoop.

    Voor verdere guidance omtrent ‘bijzondere omstandigheden’ en de voorwaarden waaronder een open-end beleggingsinstelling de inkoop/uitgifte van aandelen kan opschorten of beperken, wordt verwezen naar de veelgestelde vraag ‘Onder welke bijzondere omstandigheden mag een open-end beleggingsinstelling de inkoop/uitgifte van rechten van deelneming opschorten of beperken?’.

  • Onder welke bijzondere omstandigheden mag een open-end beleggingsinstelling de inkoop/uitgifte van rechten van deelneming opschorten of beperken? 

    Er kunnen omstandigheden zijn waarbij een open-end beleggingsinstelling geen rechten van deelneming kan inkopen of uitgeven. Het moet dan gaan om bijzondere omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van de beheerder of beleggingsinstelling. Uit wet- en regelgeving volgt dat het prospectus de gevallen dient aan te geven waarbij in het belang van de deelnemers de inkoop van rechten van deelneming of de terugbetaling van de waarde van de rechten van deelneming kunnen worden opgeschort, alsmede de wijze waarop onderscheidenlijk inkoop en terugbetaling kan worden opgeschort (art. 118, lid 1 en bijlage E, 7.12 BGfo). De genoemde omstandigheden mogen niet tot gevolg hebben dat de inkoop/uitgifte van rechten van deelneming langdurig wordt belemmerd dan wel feitelijk onmogelijk wordt gemaakt; er zal dan immers geen sprake meer zijn van doorlopende inkoop. 

    In de praktijk zou een open-end beleggingsinstelling in de volgende bijzondere omstandigheden zijn inkoop/uitgifte van rechten van deelneming kunnen opschorten of beperken: 

    1.        Indien één of meer effectenbeurzen of markten waaraan effecten zijn genoteerd of worden verhandeld die behoren tot het vermogen van een beleggingsinstelling of het vermogen van een beleggingsinstelling waarin de desbetreffende beleggingsinstelling direct of indirect belegt, zijn gesloten tijdens andere dan gebruikelijke dagen of wanneer de transacties op deze beurzen zijn opgeschort of aan niet gebruikelijke beperkingen zijn onderworpen en de beheerder, naar zijn oordeel, geen juiste taxatie van de koers van de (beursgenoteerde) beleggingen kan geven;

    2.        Omstandigheden waarbij de middelen van communicatie of berekeningsfaciliteiten die normaal worden gebruikt voor de bepaling van het vermogen van de beleggingsinstelling of het vermogen van een beleggingsinstelling waarin de desbetreffende beleggingsinstelling direct of indirect belegt, niet meer functioneren of indien om enige andere reden de waarde van een belegging die behoort tot het vermogen van een beleggingsinstelling of het vermogen van een beleggingsinstelling waarin het desbetreffende beleggingsinstelling direct of indirect belegt, niet met de door de beheerder gewenste snelheid of nauwkeurigheid kan worden bepaald;

    3.        Omstandigheden waarbij de technische middelen van de beleggingsinstelling om rechten van deelneming in te kopen of uitgeven door een technische storing tijdelijk niet beschikbaar zijn;

    4.        Factoren die onder andere verband houden met de politieke, economische, militaire of monetaire situatie waarop de beheerder geen invloed heeft, en de beheerder verhinderen de waarde voldoende nauwkeurig te bepalen van het vermogen van de beleggingsinstelling en het vermogen van een beleggingsinstelling waarin de desbetreffende beleggingsinstelling direct of indirect belegt;

    5.        Omstandigheden waarbij de beleggingsinstelling aan de hoeveelheid verzoeken tot inkoop/uitgifte van rechten van deelneming feitelijk niet onmiddellijk kan voldoen; bijvoorbeeld omdat het administratief niet mogelijk is de verzoeken ordentelijk te verwerken;

    6.        Omstandigheden waarbij de inkoop/uitgifte van rechten van deelneming tijdelijk kan worden gemaximeerd mits de ingestelde limiet in verhouding staat tot het aantal uitstaande deelnemingsrechten en verband houdt met de kenmerken van de beleggingsinstelling of het beleggingsbeleid. Bijvoorbeeld: een beleggingsinstelling die belegt in niet-beursgenoteerde bedrijven kan mogelijk op korte termijn maar een beperkt percentage van de activa verkopen. Als een limiet wordt ingesteld zijn de wettelijke eisen met betrekking tot de aan te houden liquiditeit onverkort van toepassing;

    7.        Omstandigheden waarbij de fiscale status van de beleggingsinstelling in gevaar komt.

    Indien de bijzondere omstandigheden zich niet meer voordoen, en/of de opschorting van inkoop/uitgifte niet meer in het belang van deelnemers is, dient een open-end beleggingsinstelling de inkoop/uitgifte te hervatten. De beheerder blijft uiteraard zelf verantwoordelijk voor het daadwerkelijk opschorten van de inkoop/uitgifte, en of de opschorting nog in het belang van de belegger voortduurt. Dit is immers ook een zaak tussen de beleggers en de beleggingsinstelling omdat dit is overeengekomen in de voorwaarden.

    NB Voor guidance omtrent de begrippen ‘open-end ‘en closed-end’ wordt verwezen naar de veelgestelde vraag ‘Wat wordt verstaan onder een open-end en een closed-end beleggingsinstelling?’.

  • Hoe dient het woord "of" in de opsomming "een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder" in artikel 4:51, eerste lid, en artikel 4:52, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht (Wft) te worden gelezen? Gelden de vereisten van artikel 4:51, eerste lid en artikel 4:52, eerste lid Wft voor zowel de beheerder, als de beleggingsinstelling en de bewaarder of is aan de vereisten van artikel 4:51, eerste lid en artikel 4:52, eerste lid Wft voldaan indien één van de drie hieraan heeft voldaan?  

    De vereisten van artikel 4:51, eerste lid en artikel 4:52, eerste lid Wft gelden voor zowel de beheerder, als de beleggingsinstelling en de bewaarder. Dit volgt uit aanwijzing 63 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992, Stcrt. 1992, 230 zoals laatstelijk gewijzigd op 27 april 2005, Stcrt. 2005, 87) (Ar).

    Aanwijzing 63
    Het gebruik van de uitdrukking "en/of" blijft achterwege.

    Toelichting:
    Indien in een opsomming van gevallen "of" wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Dit laat uiteraard onverlet dat het woord ‘of’in opsommingen ook nog in de andere gebruikelijke betekenissen moet worden gebruikt.