De website afm.nl maakt gebruik van cookies

Integere bedrijfsvoering

 
 

Onderwerp

 
 
 
 
  • Sommige beheerders scheiden de illiquide beleggingen van beleggingsinstellingen af van de liquide beleggingen binnen de totale beleggingsportefeuille van de beleggingsinstelling. Het afgescheiden deel wordt een ‘side pocket’ genoemd. Een side pocket zorgt ervoor dat deelnemers die uittreden een aanspraak houden op hun deel van de illiquide beleggingen. Wat vindt de AFM daarvan? 

    De AFM staat geen side pockets toe omdat een fonds hetzij een open-end structuur hetzij een closed end structuur dient te hebben. Opsplitsing van fondsen staat de AFM onder voorwaarden wel toe.

    Opsplitsen van beleggingsinstellingen
    Het juridisch afsplitsen van de illiquide beleggingen in een nieuwe beleggingsinstelling of nieuwe subfonds is toegestaan. Belangrijke voorwaarden daarvoor zijn dat:

    (1) de nieuwe beleggingsinstelling bij de AFM wordt aangemeld en apart wordt geregistreerd. Deze beleggingsinstelling zal naar verwachting een closed-end karakter hebben;
    (2) de nieuwe beleggingsinstelling een eigen, objectief vastgestelde intrinsieke waarde heeft. Uiteraard dienen illiquide beleggingen voor de opsplitsing eerst te zijn afgewaardeerd;
    (3) de beheerder in alle communicatie transparant is over de afsplitsing en de gevolgen voor de performance van de huidige beleggingsinstelling;
    (4) de beheerder de driemaandstermijn voor voorwaardenwijzigingen van de huidige beleggingsinstelling in acht neemt;
    (5) het opsplitsen van een beleggingsinstelling wordt beschouwd als een wijziging van de voorwaarden tussen de beheerder en de deelnemers. De beheerder moet een voorstel tot wijziging en de daadwerkelijke wijziging van de voorwaarden bekend maken in een advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad of aan het adres van iedere deelnemer en op zijn website. De beheerder moet de wijziging toelichten en de AFM in kennis stellen. In een aantal gevallen is ook instemming van de deelnemers vereist.

    Als de afsplitsing van de illiquide beleggingen gebeurt om deze beleggingen te liquideren, kan de AFM toestaan dat het fonds wordt geregistreerd zonder het aanvullend opstellen van een prospectus. Er moet dan sprake zijn van:

    - de afsplitsing van een niet-substantiële deel van de beleggingen (in een nieuwe beleggingsinstelling);
    - de nieuwe beleggingsinstelling heeft een eindige duur en als enig doel de liquidatie van de beleggingen binnen een redelijke termijn;
    - alleen de zittende beleggers zijn gerechtigd tot de liquidatie uitkeringen;
    - de participaties zijn niet overdraagbaar aan derden.

    Aandachtspunten
    De AFM ziet een aantal belangrijke aandachtspunten voor beheerders van beleggingsinstellingen die overwegen een deel van de illiquide beleggingen in een beleggingsinstelling af te splitsen in een nieuwe beleggingsinstelling. Beheerders dienen altijd in het belang van de deelnemers te handelen. Het afsplitsen van een deel van de illiquide beleggingen moet in het belang zijn van alle deelnemers, zowel de huidige deelnemers, de uittredende deelnemers als de nieuwe deelnemers van de beleggingsinstelling.
     
    Beheerders dienen transparant te zijn richting alle deelnemers zodat zij begrijpen wat de afsplitsing van een deel van de illiquide beleggingen van de beleggingsinstelling in een nieuwe beleggingsinstelling inhoudt, zij alle risico’s kunnen inschatten en weten waar de beleggingsinstelling in belegt. Voor het illiquide deel van de beleggingen moeten beleggers met name goed zicht hebben op de volgende zaken:

    - de waardering van het fonds en de daaraan onderliggende berekening van de - liquide én illiquide - beleggingen;
    - de performance en de historische rendementsoverzichten waarin de illiquide beleggingen worden meegenomen;
    - de invloed van de illiquide beleggingen op hoogte van de kosten, waaronder de management fee;
    - het beleggingsbeleid voor zowel de liquide als illiquide beleggingen.

    Ook mogen beleggers niet plotseling worden geconfronteerd met een afgesplitst deel (illiquide beleggingen) van de beleggingsinstelling zonder dat zij daadwerkelijk gelegenheid hebben gehad om uit de beleggingsinstelling te kunnen stappen. Voorts dient de beheerder te allen tijde de driemaandstermijn in acht te nemen, aangezien het afsplitsen van een deel van de illiquide beleggingen in een nieuwe beleggingsinstelling een voorwaardenwijziging met zich mee brengt als bedoeld in artikel 4:47, derde lid, Wft.

  • Handelssysteem: Is de aanwijzing uit de brief dd 8 januari 2007 ook van toepassing op niet-beursgenoteerde open-end beleggingsinstellingen die niet dagelijks verhandelen?  

    De aanwijzing uit de brief van 8 januari 2007 is onverkort van toepassing op niet-beursgenoteerde open-end beleggingsinstellingen.

  • Handelssysteem: Is het mogelijk dat niet-beursgenoteerde beleggingsinstellingen de toe- en uittredingskosten in rekening blijven brengen?  

    Ja dan kan, maar niet onder de categorie van op- en afslag. Het is wel mogelijk om overige kosten bij toe- en uittreding apart in rekening te brengen naast de op- en afslag. Hierbij dienen de kosten die niet meer in de op- en afslag in rekening mogen worden gebracht expliciet te worden vermeld in het prospectus en in de Financiële Bijsluiter.

  • Handelssysteem: Moeten (niet-beursgenoteerde) open-end beleggingsinstellingen waarvan de inkoop en uitgifte van rechten van deelneming bijvoorbeeld één maal per week plaatsvindt onder het nieuwe handelssysteem dagelijks rechten van deelneming gaan inkopen of uitgeven?  

    Het nieuwe handelssysteem heeft in beginsel geen invloed op de frequentie van de inkoop of uitgifte van rechten van deelneming in een niet-beursgenoteerde open-end beleggingsinstelling. Zoals vermeld in de brief van de AFM van 8 januari 2007 mag er maximaal één handelsmoment per dag zijn. Indien de inkoop en uitgifte van rechten van deelneming in de ‘oude’ situatie bijvoorbeeld één maal per week plaatsvindt kan deze frequentie na 26 februari 2007 gehandhaafd blijven mits de systematiek van ‘forward pricing’ wordt gebruikt.

  • Hoe ziet de AFM de invulling van de rol van de bewaarder?  

    De AFM krijgt regelmatig vragen over de taken, plichten en verantwoordelijkheden van de bewaarder van een beleggingsinstelling. Met deze FAQ wil de AFM meer duidelijkheid geven over de rol van de bewaarder en guidance geven over de invulling van deze rol.

    Uit de wet- en regelgeving is op te maken dat de bewaarder naast het bewaren van de activa en het administreren daarvan, onder andere de volgende taken en werkzaamheden heeft:

    1. gezamenlijk met de beheerder beschikken over de activa van het beleggingsfonds (artikel 4:42, onderdeel b, Wft); 
    2. bij het bewaren optreden/handelen in het belang van de deelnemers (artikel 4:43 lid 2, Wft jo 116 BGfo en artikel 4:25 lid 1 Wft jo 83 BGfo); 
    3. de activa van het beleggingsfonds alleen afgeven indien dit in overeenstemming is met de voorwaarden van het beleggingsfonds (artikel 4:43 lid 2, Wft jo 116 BGfo jo DNB/Wtb-Actueel nummer 1/september 1993).

    Deze punten laten zien dat van de bewaarder wordt verwacht dat hij enige controle houdt op de werkzaamheden van de beheerder. Praktisch is dit vaak een probleem omdat de bewaarder niet op ieder moment kan controleren of een transactie in overeenstemming is met de voorwaarden en niet telkens vooraf een handtekening voor het beschikken over de activa kan plaatsen.

    In de praktijk kan hier volgens de AFM op de volgende wijze mee worden omgegaan:

    • De bewaarder kan een volmacht tekenen voor het verrichten van bepaalde activiteiten door alleen de beheerder; 
    • In deze volmacht staat exact welke taken de bewaarder aan de beheerder overlaat.

      Beschreven is dan dat: 
    • de bewaarder iedere maand of kwartaal controleert dat het uitgevoerde beleggingsbeleid past binnen het gestelde in het prospectus; 
    • de bewaarder iedere maand of kwartaal de ontwikkeling van de intrinsieke waarde volgt en waar nodig kritische vragen stelt; 
    • het beschikken over de gelden tot een maximum bedrag door de beheerder kan geschieden en boven dat bedrag ook een handtekening van de bewaarder nodig is; 
    • dat de bewaarder iedere maand of kwartaal achteraf de verrichte betalingen voor akkoord tekent; 
    • dat de bewaarder iedere maand of kwartaal een werkprogramma parafeert, waarbij de bewaarder zijn verrichte controlewerkzaamheden verantwoordt. Indien er een IAD in de organisatie is, zou deze kunnen controleren of gewerkt wordt conform de procedure; 
    • dat minimaal ieder kwartaal er een formeel overleg, inclusief notulen, tussen beheerder en bewaarder plaatsvindt; 
    • in het geval zou blijken dat de transacties niet binnen de regelmatige uitoefening van de beheersfunctie passen, de bewaarder niet tot afgifte van de activa over dient te gaan. Op het moment dat er wel een dergelijke transactie heeft plaatsgevonden, dient de beheerder in een dergelijk geval de transactie terug te draaien op kostenneutrale basis voor het beleggingsfonds. Het mogelijk terugdraaien van de transactie moet wel een reëel uit te voeren punt zijn; 
    • In de actuele beschrijving van de AO/IC dient duidelijk de rolverdeling tussen de beheerder en de bewaarder te zijn opgenomen.

    Het geven van een volmacht door de bewaarder aan de beheerder ontslaat de bewaarder niet van de verantwoordelijkheid voor haar rol bij de werkzaamheden die de beheerder op grond van de volmacht verricht. De bewaarder blijft daarvoor (mede)verantwoordelijk, maar kan met een volmacht met bovengenoemde inhoud hier naar de mening van de AFM wel beter grip op houden.

  • Intrinsieke waarde-berekeningen: Hoe lang moeten deze berekeningen en onderliggende gegevens bewaard worden? 

    In de toezichtwetgeving ontbreken bewaartermijnen. De AFM adviseert de berekeningen en gegevens minimaal één jaar te bewaren. Bijvoorbeeld om achteraf na te kunnen gaan of de juiste bedragen zijn betaald of ontvangen, bij respectievelijk inname en uitgifte van deelnemingsrechten. Ook kunnen de bewaarde gegevens van nut zijn bij het afhandelen van klachten van beleggers.