Terug

Beleggingsinstellingen - Doorlopend toezicht

Veelgestelde vragen voor Beleggingsinstellingen - Doorlopend toezicht

Welke eisen gelden voor een administrateur die zowel taken van de beheerder als van de bewaarder uitvoert?

De AFM komt in de praktijk de situatie tegen dat de beheerder en de bewaarder taken laten uitvoeren door dezelfde entiteit, meestal een administrateur. Deze administrateur voert voor de beheerder administratieve taken uit en is betrokken bij het berekenen van de intrinsieke waarde. Voor de bewaarder voert de administrateur de controlerende taken uit. Met deze ‘veelgestelde vraag’ wil de AFM meer duidelijkheid geven over de eisen die in dat geval gelden.

Uit de wet- en regelgeving is op te maken dat:

  1. De bewaarder onafhankelijk dient te zijn van de beheerder, dat wil zeggen dat er geen personele of financiële banden tussen hen mogen bestaan waardoor een juiste uitoefening van de bewaarfunctie in gevaar kan worden gebracht (artikel 4:42, onderdeel a, Wft).
  2. De beheerder en bewaarder gezamenlijk beschikken over de activa van het beleggingsfonds (artikel 4:42, onderdeel b, Wft).
  3. Er een functiescheiding moet bestaan tussen het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot het vermogen van de beleggingsinstelling en het administreren van deze handelingen (artikel 34 eerste lid, onder c, BGfo,).
  4. De berekende intrinsieke waarde betrouwbaar, juist en consistent moet zijn (artikel 34 eerste lid, onder d, BGfo).
  5. Het proces van intrinsieke waardebepaling gescheiden moet worden van de overige activiteiten van de beheerder (artikel 34, eerste lid, onder e, BGfo). Hierbij is het voornamelijk van belang dat degene(n) die zich bezighouden met de bepaling van de intrinsieke waarde zich niet met het beleggingsbeleid, de uitvoering van het beleggingsbeleid of de controle daarop bezig moeten houden.

Deze opsomming laat zien dat de bewaarder onafhankelijk moet zijn van de beheerder. Er mogen geen personele of financiële banden bestaan tussen de bewaarder en beheerder waardoor een juiste uitoefening van de bewaarfunctie in gevaar kan worden gebracht. Daarnaast wordt van de bewaarder verwacht dat hij enige controle houdt op de werkzaamheden van de beheerder (zie ook de veelgestelde vraag ‘Hoe ziet de AFM de invulling van de rol van de bewaarder?’).

Als de taken van de bewaarder en de beheerder worden uitgevoerd door een en dezelfde entiteit, meestal een administrateur, dan worden deze taken uitgevoerd door personen die een personele en/of financiële band met elkaar hebben. In deze situatie moet ervoor worden gewaakt dat een juiste uitoefening van de bewaarfunctie niet in gevaar wordt gebracht. Om een juiste uitoefening van de bewaarfunctie te waarborgen kunnen taken van de bewaarder en de beheerder slechts door een en dezelfde administrateur worden uitgevoerd als aan de hieronder genoemde voorwaarden is voldaan.

  1. Er is sprake van functiescheiding: de administrateur heeft specifieke personen verantwoordelijk gemaakt voor de taken van de beheerder en andere personen voor de taken van de bewaarder. De administrateur kan er ook voor kiezen aparte organisatieonderdelen verantwoordelijk te maken voor de taken van de beheerder respectievelijk die van de bewaarder. 
  2. De functiescheiding binnen de organisatie van de administrateur die zowel de taken van de beheerder als de bewaarder uitvoert is bijzonder goed gewaarborgd. De beheerder en de bewaarder zien strikt toe op naleving hiervan.
  3. Als de administrateur is betrokken bij het proces van intrinsieke waardebepaling is dat gescheiden van de overige taken die voor de beheerder worden uitgevoerd. Dit houdt onder meer in dat de personen die de intrinsieke waarde berekenen geen facturen betaalbaar mogen stellen of fiatteren voor het beleggingsfonds.
  4. Als de administrateur betalingen uitvoert voor de beheerder en de bewaarder, is per volmacht geregeld dat de administrateur voor de beheerder en bewaarder afzonderlijk tot een maximum bedrag over de gelden van het fonds kan beschikken. De volmacht is bekend bij de bank(en). Het maximum bedrag moet reëel zijn, gezien de structurele betalingen die het fonds moet doen. Voor betalingen boven het afgesproken maximum bedrag zijn handtekeningen van de beheerder en bewaarder nodig. Als er gebruik wordt gemaakt van elektronische betaalfaciliteiten is het maximum bedrag ook, als dat mogelijk is, vastgelegd in het systeem bij de bank(en).

Deze vraag is toegevoegd op 8 april 2011

Stuur deze vraag door

Hoe wordt bij fusie van beleggingsinstellingen de juistheid van de intrinsieke waarde en de transparantie van fusiekosten gewaarborgd en wie bekostigt de fusie?

Bij een fusie van beleggingsinstellingen worden de participaties van een belegger uit de verdwijnende beleggingsinstelling meestal omgeruild voor participaties van de verkrijgende beleggingsinstelling. Om in die situatie tot de juiste ruilverhouding te komen wordt, naast andere verplichtingen voortvloeiend uit de Wft en/of Boek 2 BW, van beide beleggingsinstellingen de intrinsieke waarde berekend. Deze intrinsieke waarde moet betrouwbaar, juist en consistent zijn (zie ook artikel 34 eerste lid, onder d, BGfo). Om de betrouwbaarheid en juistheid van de intrinsieke waarde te waarborgen acht de AFM het noodzakelijk dat ook een externe deskundige een verklaring afgeeft over de juistheid van de door de beheerders berekende intrinsieke waardes van beide beleggingsinstellingen.

Het informatiememorandum en/of voorstel tot fusie zou beleggers van de beleggingsinstellingen inzicht moeten geven in de kosten die met de fusie samenhangen en door wie de kosten worden gedragen. De AFM vindt het wenselijk dat de beheerder inzicht geeft in de soort kosten (zoals notariskosten, advocaatkosten, accountant- en transactiekosten) en de hoogte hiervan. Indien de exacte kosten nog niet bepaald kunnen worden, kan de beheerder een inschatting geven, gezien de gegevens die op dat moment voorhanden zijn. Deze werkwijze verhoogt de transparantie en is in het belang van de zittende beleggers.
De AFM vindt het, afhankelijk van de redenen voor de fusie, ook redelijk dat de beheerder (een deel van) de kosten draagt of bepaalde kosten draagt en die niet afwentelt op de betrokken beleggingsinstellingen of hun aandeelhouders.

Het bovenstaande is in lijn met hetgeen in de UCITS IV richtlijn over kosten van fusies is bepaald. Zo bepaalt artikel 46 van de richtlijn dat kosten in verband met de fusie zoals juridische, advies- en administratieve kosten niet direct of indirect ten laste mogen komen van de betrokken UCITS of hun aandeelhouders. De genoemde bepaling uit de richtlijn wordt waarschijnlijk in artikel 4:62j Wft geïmplementeerd.

Stuur deze vraag door

Hoe moet de in control statement worden onderbouwd?

Het jaarverslag van een beleggingsinstelling moet op grond van artikel 121 BGfo een in control statement van de beheerder bevatten. De AFM komt in de praktijk de situatie tegen dat het jaarverslag wel een in control statement bevat maar de beheerder deze niet of niet voldoende kan onderbouwen door middel van documenten. De AFM wijst erop dat zij uit de onderbouwing van de in control statement moet kunnen afleiden wat het proces is achter de in control statement en waarom de beheerder vindt dat de beleggingsinstelling in control is.

Stuur deze vraag door

Afschermen website beleggingsinstelling: moeten alle gegevens op de website van de beheerder voor iedere (potentiële) belegger benaderbaar zijn of mogen deze (deels) door middel van een password worden afgeschermd?

De AFM is van mening dat een beheerder alle informatie betreffende een beleggingsinstelling dient te publiceren op de website zodanig dat deze voor een ieder toegankelijk is. Door gegevens voor een ieder toegankelijk te maken kan worden bijgedragen aan grotere transparantie van beleggingsinstellingen en beheerders c.q. bewaarders. Informatieverschaffing via de website van de beheerder was tevens een belangrijke aanbeveling van de Commissie Winter.

Stuur deze vraag door

Bestuursstructuur bij beleggingsmaatschappijen: Kan een andere persoon of partij naast de beheerder bestuurder zijn bij een belegginginstelling en daarbij een zodanige stem hebben dat de beheerder overruled kan worden?

Een beheerder moet statutair bestuurder zijn van de door hem beheerde beleggingsmaatschappij (artikel 4:41 Wft). Naast de beheerder kunnen andere natuurlijke personen of rechtspersonen deel uit maken van het bestuur een beleggingsmaatschappij. 

De beheerder dient te waarborgen dat de beleggingsmaatschappij de Wft-normen naleeft (artikel 1:13 Wft). Dit kan niet als een andere bestuurder de beheerder-bestuurder bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden kan passeren. Om dit laatste uit te sluiten dienen binnen het bestuur de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden zodanig te zijn geregeld dat de beheerder-bestuurder op geen enkele manier beperkt kan worden bij het waarborgen van de normnaleving door de beleggingsmaatschappij. De beheerder mag dus niet een ondergeschikte positie ten opzichte van de andere bestuurder(s) innemen. 

Daarnaast is het niet toegestaan dat de andere bestuurder(s) bevoegd is/zijn de beleggingsmaatschappij zelfstandig te vertegenwoordigen zonder betrokkenheid van de beheerder. Een bestuursstructuur van een beheerder-natuurlijke persoon en een tweede bestuurder-natuurlijke persoon die exclusief vertegenwoordigingsbevoegd is, is strijdig met het zogenaamde vier-ogenprincipe. Dit principe ligt ten grondslag aan de verplichting dat het dagelijks beleid van een beleggingsmaatschappij ten minste door twee natuurlijke personen wordt bepaald (artikel 4:39 Wft).

Stuur deze vraag door

Prospectus: Is een prospectus een reclame-uiting in de zin van de Wft en het BGfo?

Nee. Het prospectus is zelf geen reclame-uiting. Wel moet de informatie in het prospectus, net als in reclame-uitingen, uiteraard correct, duidelijk en niet misleidend zijn.

Stuur deze vraag door

Handelssysteem: Moeten open-end beleggingsinstellingen die per 26 februari 2007 onder het nieuwe handelssysteem vallen hun prospectussen nu op korte termijn twee keer aanpassen; zowel aan de Wft als daarna aan het nieuwe handelssysteem?

Open-end beleggingsinstellingen die per 26 februari 2007 onder het nieuwe handelssysteem vallen zoals dat is omschreven in de brief van de AFM van 8 januari 2007 en die ook per 26 februari 2007 aan alle in de voornoemde brief gestelde eisen voldoen, mogen er voor kiezen om alle prospectussen per 26 februari 2007 te hebben aangepast aan zowel de Wft als het nieuwe handelssysteem.

Indien het voor een open-end beleggingsinstelling niet mogelijk is om per 26 februari 2007 aan de gestelde eisen te voldoen, dient de instelling zo snel mogelijk aan de eisen te voldoen. De veranderingen dienen in ieder geval voor 1 juli 2007 te zijn ingevoerd. Open-end beleggingsinstellingen die pas na 26 februari 2007 aan alle gestelde eisen kunnen voldoen dienen wel per 1 januari 2007 de prospectussen te hebben aangepast aan de Wft.

Stuur deze vraag door

Hoe dient het woord "of" in de opsomming "een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder" in artikel 4:51, eerste lid, en artikel 4:52, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht (Wft) te worden gelezen? Gelden de vereisten van artikel 4:51, eerste lid en artikel 4:52, eerste lid Wft voor zowel de beheerder, als de beleggingsinstelling en de bewaarder of is aan de vereisten van artikel 4:51, eerste lid en artikel 4:52, eerste lid Wft voldaan indien één van de drie hieraan heeft voldaan?

De vereisten van artikel 4:51, eerste lid en artikel 4:52, eerste lid Wft gelden voor zowel de beheerder, als de beleggingsinstelling en de bewaarder. Dit volgt uit aanwijzing 63 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992, Stcrt. 1992, 230 zoals laatstelijk gewijzigd op 27 april 2005, Stcrt. 2005, 87) (Ar).

Aanwijzing 63
Het gebruik van de uitdrukking "en/of" blijft achterwege.

Toelichting:
Indien in een opsomming van gevallen "of" wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Dit laat uiteraard onverlet dat het woord ‘of’in opsommingen ook nog in de andere gebruikelijke betekenissen moet worden gebruikt.

Stuur deze vraag door

Is het noodzakelijk dat de samenstelling van de beleggingsportefeuille zowel per 1 januari (primo) als per 31 december (ultimo) in de jaarrekening moet worden opgenomen in die situatie dat de beleggingsinstelling gemiddeld 20% of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling of kan volstaan worden met het vermelden van alleen de ultimo-portefeuille?

Het vermelden van de volledige primo-portefeuille is niet noodzakelijk, indien in de jaarrekening een verwijzing naar de website van de beleggingsinstelling ten aanzien van de ultimo-portefeuille van het vorig boekjaar wordt opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat de beleggingsinstelling extra kosten voor de jaarrekening moet maken, terwijl de informatie reeds beschikbaar is in de jaarrekening van het vorig boekjaar.

Stuur deze vraag door

Jaarcijfers van een bewaarder: Kan worden volstaan met consolidatie van deze cijfers in de jaarrekening van de (beheerder van de) beleggingsinstelling?

Beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders dienen binnen vier maanden na afloop van het boekjaar hun jaarrekening, jaarverslag en overige gegevens aan de AFM te verstrekken en openbaar te maken, zie artikelen 4:51 en 4:52 Wft. (Het woord ‘of’ in artikel 4:51, eerste lid en in artikel 4:52, eerste lid Wft moet als ‘en’ worden gelezen.)

De jaarrekening van de bewaarder bevat essentiële (financiële) informatie over de bewaarder die onvoldoende in een geconsolideerd verslag naar voren kan komen; daarbij kan de bewaarder een toelichting geven op zijn werkzaamheden voor het fonds.

Stuur deze vraag door

Jaarrekening van beleggingsinstelling: Kan een beleggingsinstelling ontheffing krijgen van de plicht om een jaarrekening binnen vier maanden na het afsluiten van het boekjaar aan de AFM te doen toekomen?

Een beleggingsinstelling kan een ontheffing aanvragen van de plicht om een jaarrekening binnen vier maanden na het afsluiten van het boekjaar aan de AFM te doen toekomen, zie artikel 4:51 Wft. Daarbij dient te worden aangetoond dat redelijkerwijs niet aan deze verplichting kan worden voldaan en dat de doeleinden van de verplichting op een andere manier voldoende zijn bereikt. De AFM verleent ontheffingen slechts bij hoge uitzondering en voorziet deze bovendien van stringente voorwaarden.

Stuur deze vraag door

Kunnen de (half)jaarlijkse financiële verslaggeving van beheerders en/of beleggingsinstellingen, die in het register van de AFM staan vermeld, elektronisch bij de AFM gedeponeerd worden?

Ja, hiervoor kan het email-adres: TGFO_jaarrekeningen@afm.nl worden gebruikt. De (half)jaarrekeningen hebben betrekking op de beheerders en bewaarders van beleggingsinstellingen, de open-end beleggingsinstellingen en de niet-beursgenoteerde closed-end beleggingsinstellingen. 

Closed-end beleggingsinstellingen met een beursnotering op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt (zoals Euronext Amsterdam) dienen de jaarrekening op grond van artikel 5:25m Wft te deponeren bij het LOKET AFM. Dit kan via: https://www.loket.afm.nl.

Stuur deze vraag door

Nieuwe subfondsen binnen paraplufonds en assurance rapport van accountant: Moet een paraplufonds een nieuwe assurance-verklaring (mededeling in de zin van artikel 4:49-2-c Wft) bij een accountant vragen wanneer een nieuw subfonds in de markt wordt gezet?

Ja. Gegevens over nieuwe subfondsen dienen in het prospectus opgenomen te worden, in de vorm van een nieuwe versie van het prospectus of een inlegvel. Bij die gelegenheid dient de accountant te onderzoeken of het vernieuwde prospectus – of, in het geval van een inlegvel, het inlegvel in combinatie met het bestaande prospectus – alle verplichte gegevens bevat. De mededeling van de accountant (assurance-verklaring) dient de gegevens over de nieuwe subfondsen te omvatten en dient in het prospectus of in het inlegvel opgenomen te zijn.

Stuur deze vraag door

Kosten van gelieerde (verwante) beleggersgiro: moeten deze in het prospectus vermeld worden?

Ja. De beheerder van een gelieerde beleggersgiro is nauw met de giro verbonden en kan dus op de hoogte zijn van wijzigingen in de kosten van de giro. Bij giro’s van derden is dit niet het geval.

Met een gelieerde beleggersgiro wordt in dit kader gedoeld op een beleggersgiro die als distributiekanaal is ‘geïnitieerd’ door de groep waarbinnen de beheerder van de beleggingsinstelling, de beleggingsinstelling en beleggersgiro vallen.

Stuur deze vraag door

Vermelden kosten onderliggende beleggingsinstellingen in prospectus: op welke wijze dienen beheervergoedingen of (mogelijke) performance fees van onderliggende beleggingsinstellingen waarin wordt belegd in het prospectus te worden vermeld?

Wanneer onderliggende beleggingsinstellingen een beheervergoeding of performance fee in rekening (kunnen) brengen, dienen deze percentages of bandbreedtes waarbinnen deze percentages vallen, in de kostenparagraaf van het prospectus te worden opgenomen.

Stuur deze vraag door

Vermelden kosten onderliggende beleggingsinstellingen in prospectus: op welke wijze kunnen de kosten van onderliggende beleggingsinstellingen waarin de beleggingsinstelling belegt worden opgenomen in het prospectus, indien een beleggingsinstelling hierin meer dan 10% van haar vermogen belegt?

Indien een beleggingsinstelling meer dan 10% van haar vermogen belegt in andere beleggingsinstellingen, dienen de kosten van de andere beleggingsinstellingen te worden meegenomen bij het bepalen van het kostenniveau. Dit kan door de Total Expense Ratio (TER) van de beleggingsinstellingen waarin wordt belegd naar rato mee te nemen in de TER van de beleggingsinstelling.

Stuur deze vraag door

Vermelden onderpand bij uitgeleende financiële instrumenten: welke informatie over het soort onderpand en de waarde van het onderpand dient in het jaarverslag te worden opgenomen

Op grond van artikel 128 lid 1h onder 2 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen dienen in het jaarverslag de zekerheden die een beleggingsinstelling heeft verkregen te worden vermeld. Ten aanzien van de hoogte van de zekerheden dient hier ofwel de absolute hoogte van de verkregen zekerheden ofwel het percentage van de uitgeleende financiële instrumenten waarvoor zekerheden zijn verkregen, te worden vermeld.

Tevens dient het soort zekerheden dat als onderpand is verkregen, te worden vermeld. Het vermelden van de categorie waartoe het onderpand behoort, is voldoende.

Stuur deze vraag door

Onder welke bijzondere omstandigheden mag een open-end beleggingsinstelling de inkoop/uitgifte van rechten van deelneming opschorten of beperken?

Er kunnen omstandigheden zijn waarbij een open-end beleggingsinstelling geen rechten van deelneming kan inkopen of uitgeven. Het moet dan gaan om bijzondere omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van de beheerder of beleggingsinstelling. Uit wet- en regelgeving volgt dat het prospectus de gevallen dient aan te geven waarbij in het belang van de deelnemers de inkoop van rechten van deelneming of de terugbetaling van de waarde van de rechten van deelneming kunnen worden opgeschort, alsmede de wijze waarop onderscheidenlijk inkoop en terugbetaling kan worden opgeschort (art. 118, lid 1 en bijlage E, 7.12 BGfo). De genoemde omstandigheden mogen niet tot gevolg hebben dat de inkoop/uitgifte van rechten van deelneming langdurig wordt belemmerd dan wel feitelijk onmogelijk wordt gemaakt; er zal dan immers geen sprake meer zijn van doorlopende inkoop. 

In de praktijk zou een open-end beleggingsinstelling in de volgende bijzondere omstandigheden zijn inkoop/uitgifte van rechten van deelneming kunnen opschorten of beperken: 

1.        Indien één of meer effectenbeurzen of markten waaraan effecten zijn genoteerd of worden verhandeld die behoren tot het vermogen van een beleggingsinstelling of het vermogen van een beleggingsinstelling waarin de desbetreffende beleggingsinstelling direct of indirect belegt, zijn gesloten tijdens andere dan gebruikelijke dagen of wanneer de transacties op deze beurzen zijn opgeschort of aan niet gebruikelijke beperkingen zijn onderworpen en de beheerder, naar zijn oordeel, geen juiste taxatie van de koers van de (beursgenoteerde) beleggingen kan geven;

2.        Omstandigheden waarbij de middelen van communicatie of berekeningsfaciliteiten die normaal worden gebruikt voor de bepaling van het vermogen van de beleggingsinstelling of het vermogen van een beleggingsinstelling waarin de desbetreffende beleggingsinstelling direct of indirect belegt, niet meer functioneren of indien om enige andere reden de waarde van een belegging die behoort tot het vermogen van een beleggingsinstelling of het vermogen van een beleggingsinstelling waarin het desbetreffende beleggingsinstelling direct of indirect belegt, niet met de door de beheerder gewenste snelheid of nauwkeurigheid kan worden bepaald;

3.        Omstandigheden waarbij de technische middelen van de beleggingsinstelling om rechten van deelneming in te kopen of uitgeven door een technische storing tijdelijk niet beschikbaar zijn;

4.        Factoren die onder andere verband houden met de politieke, economische, militaire of monetaire situatie waarop de beheerder geen invloed heeft, en de beheerder verhinderen de waarde voldoende nauwkeurig te bepalen van het vermogen van de beleggingsinstelling en het vermogen van een beleggingsinstelling waarin de desbetreffende beleggingsinstelling direct of indirect belegt;

5.        Omstandigheden waarbij de beleggingsinstelling aan de hoeveelheid verzoeken tot inkoop/uitgifte van rechten van deelneming feitelijk niet onmiddellijk kan voldoen; bijvoorbeeld omdat het administratief niet mogelijk is de verzoeken ordentelijk te verwerken;

6.        Omstandigheden waarbij de inkoop/uitgifte van rechten van deelneming tijdelijk kan worden gemaximeerd mits de ingestelde limiet in verhouding staat tot het aantal uitstaande deelnemingsrechten en verband houdt met de kenmerken van de beleggingsinstelling of het beleggingsbeleid. Bijvoorbeeldeen beleggingsinstelling die belegt in niet-beursgenoteerde bedrijven kan mogelijk op korte termijn maar een beperkt percentage van de activa verkopen. Als een limiet wordt ingesteld zijn de wettelijke eisen met betrekking tot de aan te houden liquiditeit onverkort van toepassing;

7.        Omstandigheden waarbij de fiscale status van de beleggingsinstelling in gevaar komt. 

Indien de bijzondere omstandigheden zich niet meer voordoen, en/of de opschorting van inkoop/uitgifte niet meer in het belang van deelnemers is, dient een open-end beleggingsinstelling de inkoop/uitgifte te hervatten. De beheerder blijft uiteraard zelf verantwoordelijk voor het daadwerkelijk opschorten van de inkoop/uitgifte, en of de opschorting nog in het belang van de belegger voortduurt. Dit is immers ook een zaak tussen de beleggers en de beleggingsinstelling omdat dit is overeengekomen in de voorwaarden.

NB Voor guidance omtrent de begrippen ‘open-end ‘en closed-end’ wordt verwezen naar de veelgestelde vraag ‘Wat wordt verstaan onder een open-end en een closed-end beleggingsinstelling?’.

Stuur deze vraag door

Wijziging van voorwaarden van beleggingsinstelling: hoe lang moeten deze op de website blijven staan?

Voorwaardenwijzigingen moeten op de website worden geplaatst. In de toezichtwetgeving is niet bepaald hoe lang de wijzigingen moeten blijven staan. De AFM adviseert de wijzigingen minimaal één jaar op de website te laten staan.

Stuur deze vraag door